Lettergrootte   A A A

Ad de Keyzer gesproken recensie

Genhout
8 december 2016

Mondelinge recensie van
GODS LIEFDE VOOR MENSEN DOET ME DICHTEN EN ZINGEN
Cantieken van Montfort vertaald door Wiel Logister
door Ad de Keyzer

 


Dames en heren,

Het boek dat ons vanmiddag wordt aangeboden, is in meerdere opzichten een bijzondere uitgave. Een aantal Cantieken van Montfort is door Wiel Logister in dit boek vertaald, ingeleid en toegelicht, waarna Andries Govaart een zevental van deze vertalingen op poëtische wijze omgevormd heeft tot gedichten die op hun beurt vervolgens getoonzet zijn door Frans Bullens. Voor iemand die houdt van vertalen, van poëzie, van muziek, van te ervaren hoe auteurs geraakt worden door wat hun wordt aangereikt, voor haar of hem is dit boek, met de onmisbare CD die er achterin is bijgevoegd een ruimte waarin het goed binnengaan is om er te vertoeven.

Het boek en de CD geven ons veel te denken, te beluisteren en te genieten. Ik wilde vanmiddag twee punten bespreken in de vorm van een mondelinge recensie: eerst de cantieken en hun vertaling, en daarna de poëtische omvorming en toonzetting.

 1 De cantieken en hun vertaling

Montfort noemt zijn teksten zelf Cantiques. De prachtige afbeeldingen van het manuscript in het boek laten goed zien en ook heel mooi, dat het echte liederen zijn, meestal strofisch van vorm. Cantiques wordt door Wiel Logister vertaald door cantieken, met een  c en dat geeft te denken, want in het Nederlands kennen we ook het woord kantiek, maar dat spellen we bij voorkeur met een k. Het is een van de weinige woorden waarvan sinds de nieuwe spellingswet een alternatieve spelling wettelijk is toegestaan, gelukkig! In het liturgieonderzoek gebruiken we het woord kantiek, met een k, om de niet-psalmische Bijbelse gezangen uit het Eerste en Tweede Testament aan te duiden: De kantiek van Mozes (het Schelfzeelied), van Maria (het Magnificat), van Simeon (het Nuncdimittis).

Hoe precies gaat Wiel Logister dan te werk als hij de gezangen van Montfort een Nederlandse naam geeft die geen liturgisch misverstand laat bestaan: de gezangen die Montfort maakte, kon je toen en kun je nog steeds ook in de kerk zingen, maar niet alleen, ook daarbuiten. De cantieken behoorden en behoren weliswaar niet tot het strikte liturgisch ritueel, maar kunnen zoals veel liturgische liederen, een eigen plaats krijgen in dat geheel. Ik beschouw de cantieken van Montfort als een genre sui generis, uniek in zijn soort, en dus dragen zij terecht een unieke naam die hen onderscheidt van de kantieken met en k.

De 164 cantieken beslaan bijna de helft van alles wat Montfort geschreven heeft: meer dan 20.000 verzen; dat is veel, meer dan 600 pagina’s. Ga het alleen maar eens overschrijven! De vertaler laat zien dat de inhoud ervan enorm veelzijdig is: het zijn niet alleen oratieve, biddende, teksten, maar ook catechetische, mystiek poëtische, dialogische teksten. En ook de doelgroep voor wie Montfort schreef is vaak een verschillende: hij dacht aan parochies, de zustercongregatie Dochters der Wijsheid, aan zijn vrienden en kennissen. Ik heb mij afgevraagd: wat is het onderliggende verband tussen al die verschillende 164 cantieken. Dat verband kunnen we niet met onze ogen zien, maar moeten we ontdekken, gaandeweg in het horen en in het zingen. Gelukkig hebben we in Wiel Logister een goede gids die ons de weg kan wijzen.

Wat kenmerkt de cantieken? Montfort wil een tegengeluid geven jegens “hen die zich enkel laten leiden door het kritische en berekenende verstand en voor wie hun eigen ideeën de absolute maatstaf zijn” (pg. 15). De mensen die Montfort hier op het oog heeft, kúnnen niet geraakt worden door wat op hen af komt, omdat ze dat al kennen en begrijpen: het vreemde en andere is voor hen heel ver weg, zij hebben geleerd het ‘andere’ weg te redeneren. Montfort wil met zijn cantieken het hart raken van eenvoudige mensen. Dat kan hij niet zonder meer met zijn theologie,  preken en zijn catechese, het is goed dat we dat inzien. Hij heeft andere middelen nodig om zijn doel te bereiken, en heeft die gevonden. Hij heeft zijn ideeën, wat hem geraakt heeft, zijn verwondering en afschuw, zijn vreugde, verdriet en boosheid in een vorm mogen gieten – ‘mogen’, want het is pure genade natuurlijk als je dat kan in 164 cantieken van respectabele lengte! – een vorm “die hart en gemoed raakt en educatieve bedoelingen heeft”(16). Montfort heeft er weet van dat een mens niets leert van onbegrijpelijke waarheden, maar wel van “inzichten die iemands leven kleuren en oriënteren  en die uitlopen op concrete vormen van godsverering en van zorg en genegenheid”(pg. 16).

Hier raken we aan de kern van wat de cantieken innerlijk draagt. Waar het woord dat ons wordt aangereikt ons hart raakt, daar blijven wij niet onverschillig en vanuit die niet-onverschilligheid reageren wij met ons antwoord dat een andere logica kent dan die van de rationaliteit. Het gaat hier om de logica van het hart, de enige logica die adequaat is om de bewegingen van ons hart, de motus cordis, te articuleren. Montfort heeft hier weet van – dat is iets anders dan ‘weten’. Met Johan Cruyff kan Montfort ons voorhouden: als je het doorhebt, dan zie je het pas. Ik denk dan: met je ogen dicht dus.

Het woord dat de logica van het hart het meeste kenmerkt, kan niet anders zijn dan het Franse Charité, het woord voor Gods bekommernis voor mensen in nood. De Godsnaam bij uitstek dus, misschien onvertaalbaar, maar van levensbelang. De titel van dit boek laat dit horen in alle toonaarden: “Gods liefde voor mensen doet me dichten en zingen”. Gods liefde heeft Montfort aangeraakt, gratis, zomaar. Deze gunst is hem overkomen, hij heeft er niets voor gedaan of voor hoeven organiseren. Laten we ons ervan bewust zijn dat het perspectief van de Charité,  het goddelijk perspectief is. Het menselijk perspectief wordt verwoord door Montfort in zijn 20.000 verzen. Hier ligt de kern van wat spiritualiteit is: de  geestelijke ruimte waar God en mens elkaar raken, elkaar ontmoeten, zich in elkaar verliezen. Een vriend van Montfort schrijft over hem: “Ik zeg niet dat de geestelijke liederen van Montfort uitblinken door een fijnzinnige smaak of beantwoorden aan de regels van volmaakte poëzie... Hij ging voor zijn composities meer te rade bij de geest van God, dan bij de regels van de kunst”(pg. 12). De geest van God gidste Montfort, Spiritus dus, spiritualiteit. Die geest is de adem van deze cantieken, zij is de adem waarmee wij ze zingen.

1.2 Een voorbeeld: Cantiek 9

Ik wil graag aan een voorbeeld uit het boek laten zien hoe het bovenstaande – wat toch meer theorie is dan praktijk – concreet vorm heeft gekregen. Het betreft Cantiek 9, De charmes van de zachtmoedigheid, pag. 52.

Ik ken het Frans van Montfort niet, maar de vertaling laat een ontroerende tederheid horen. Dat kan ook niet anders, zou je zeggen, als het cantiek de charmes van de zachtmoedigheid bezingt. De vorm alleen al. In het lied komt iemand aan het woord die de aandacht vraagt – het begint met ‘Zie hier’ wat nog een paar keer terugkomt – voor de oudste zus van alle nederigheid: de zachtmoedigheid. Die wordt belicht van verschillende kanten: God, de zachtmoedigheid zelf, “Jezus, Maria, de apostelen en de heiligen worden beschreven als toonbeelden van zachtmoedigheid” (241). Het woord ‘zacht’ tel ik ongeveer 35 keer in dit cantiek, wat een symbool is voor

Het zachte geduld, vrij van bitterheid en wrok,

... het soort geweld waarover de hemel zich verheugt. (pg. 54)

De zanger wordt tweemaal rechtstreeks aangesproken met de titel Broeder. De dichter en de zanger zijn van dezelfde familie, zijn broers of zussen van elkaar, kinderen van God, kinderen van Maria.

Door de aanspreektitel Broeder komen we in de sfeer van de mystagogie en krijgt de cantiek de allure van de geestelijke begeleiding zoals Thomas van Kempen die ons in zijn Navolging aanreikt. Geen moraliserende aansporingen, maar ogenopende wijzingen waardoor je het langzaam doorkrijgt en uiteindelijk ziet waar het om gaat. We wisten het al lang, maar waren het kwijt. Luister:

Wie woedend is, is zichzelf kwijt,
heeft geen licht meer, geen geloof, geen wet.
Door de deugd van zachtmoedigheid worden we meester van onze ziel en ons hart
en gaat elke deur voor ons open.
(pg. 54)

 Dit is geen goed voornemen aan het begin van een nieuw jaar of werkseizoen, maar een beschrijving van zoals het met mij is en gaan zal. Wijze woorden van een wijs mens die anderen richting kan geven op hún weg die zíj alleen gaan. Montfort loopt een eindje mee op, schept ruimte en is zo een zegen onderweg:

Broeder, word je kwaad als iemand je corrigeert?
Helaas, dan doe je meer schade aan jezelf dan aan de ander.
(pg. 55)

Aan cantiek 9 – en met hem aan nog andere – heeft Montfort een gebed toegevoegd. Daar is de aangesprokene uit het lied de ikfiguur geworden. In dit gebed is niet alleen het perspectief 180° omgedraaid, ook de toon, de zachtaardige toon is geheel verdwenen en vervangen door een wanhopig zuchten van een woedend en machteloos menselijk ik:

Mij  ziel is zeer verbitterd en mijn hart zit vol wreedheid;
ik ben ontstoken in woede; och Heer vergeef me.
...
ik gedraag me als een wilde stier.

Ik word door de sfeertegenstelling van cantiek 9 en het afsluitend gebed geraakt. Ontroerend is de reactie van de bidder dat hij zich ervan bewust is dat hij zichzelf kwijt is, omdat hij woedend is. Hij heeft er 100% weet van dat hij zichzelf enorme schade berokkent, doordat het hem niet lukt kalm, zacht te worden. Het gaat gewoon niet.

Wat een inzicht in de menselijke ziel laat Montfort hier zien. Ik wil de vertaler bedanken dat hij deze cantiek en dit gebed heeft opgenomen. Zoals u wellicht weet, heeft de Romeinse congregatie voor de eredienst een aanzienlijk aantal psalmverzen en twee hele psalmen (83 en 109) geschrapt uit het getijdengebed om psychologische redenen, omdat ze te haatdragend zouden kunnen zijn. Het gebed na cantiek 9 laat zien dat de goudeerlijke erkenning van de onmacht die eruit spreekt, het begin kan worden van een ruimte waarin gunnende zachtmoedigheid kan opbloeien. Die onmacht spreekt uit de uitgestrekte armen van de bidder naar God:

Maak me van nu af aan zachtmoedig als een lam,
opdat ik de vrede bewaar en geduldig blijf
in alles wat ik doe en denk.
(pag. 55-56)

Goddank voor zoveel zelfkennis.

Ik heb aan een voorbeeld willen laten zien hoe concreet Montfort de spiritualiteit waar hij voor staat en vanwaaruit hij leeft, heeft kunnen verwoorden in zijn cantieken en gebeden. Nu kom ik aan mij tweede punt.

 

2 De poëtische omvorming en toonzetting.

Op zich is er iets merkwaardigs aan de hand met liederen die uit een andere taal in het Nederlands vertaald worden. Die liederen zijn in die vreemde taal gezongen, hebben een geschiedenis gekregen, een receptie soms ook, waar wij niet vertrouwd mee zijn en sterker nog helemaal niets van weten. In een Romaanse taal als het Frans speelt ook nog mee dat haar karakter echt anders is dan dat van een Germaanse taal als de onze. Een van de aspecten waaraan je het verschil goed kunt zien en horen, is het verschil van ritme en accenten in de poëtische verzen. Andries Govaart schrijft over zijn worsteling hiermee wanneer hij het Franse ritme recht wil doen in Nederlandse woorden en zinnen. Ik vind dat het groot respect verdient wat hij heeft gedaan. Ik wil aan een voorbeeld laten zien wat er gebeurt als een dichter van een liedvertaling een nieuw lied maakt.

Ik kijk naar het cantiek dat volgens mij model staat voor het hele boek, Cantiek 148 De charité. Het lied begint met de regels: Ik moet God liefhebben die verborgen is in mijn naaste en verborgen in mijzelf. Deze regels vormen ook het refrein van dit cantiek dat ongeveer 20 strofen telt. Maar in het refrein is het woord liefhebben verdubbeld. Dat rijmt met de titel van het lied: De charité. Andries Govaart schrijft in zijn voorwoord in het CD boekje dat charité voor de Montfortanen onvertaalbaar is. Dit geeft aan hoeveel gewicht en respect het woord charité verdient, zeker als niet-Montfortanen zich ermee gaan bezighouden. Voor zover ik enig recht van spreken heb, lees ik in de vertaling en de achtergronden daarbij zoals Wiel Logister die ons aanreikt, een verwoording van wat spiritualiteit ten diepste is: de wederkerigheid in wat er zich tussen God en mensen voltrekt. Die wederkerigheid wordt in charité heel precies uitgedrukt en ik raad u aan om de bladzijden over de theologale deugden en vooral die over ‘liefhebben’ te overwegen. Ik citeer: (pg. 227)

De kern van Montforts theologie
berust op een besef
dat van kindsbeen af in hem leeft:
het leven, hoe kaduuk soms ook,
ligt ingebed in een groot mysterie
van liefde en liefhebben,
op elkaar betrokken zijn,
onszelf en anderen niet zien als nummers,
weten dat liefhebben in eerbied en respect
onze bestemming is.
Dat alles komt mee,
als hij [Montfort] van God hoort spreken.
Dat hier sprake is van God,
drukt uit dat liefde niet is te herleiden
tot wat ik doe
of jij doet,
geen optelsom van wat wij doen,
maar iets dat oorspronkelijker,
fundamenteler,
oneindiger en absoluter is.
Deze laatste woorden duiden op iets
dat voortkomt uit de geraaktheid van het hart.
het gaat niet om haarscherpe,
cognitieve begrippen.
Montfort tracht het nauwelijks zegbare
weer te geven in woorden
die zingen en doen zingen.

Deze alinea schildert op zo’n zorgvuldige en liefdevolle wijze Gods charité dat zwijgen ons op dit moment eigenlijk beter past dan spreken. Ik blijf dan maar bij de eerste regel: de kern van de theologie van Montfort berust op een besef.  Waar Montforts denken zijn bron en oorsprong vindt, is een besef. Het gaat nu niet om wát dat besef is, maar dát het zo is. Het besef van Montfort breekt in hem door als hij toelaat dat zijn hart geraakt wordt, als de motus cordis hem tot een inzicht brengt dat zijn verstand hem niet kan bieden, maar wel zijn ervaring: de wederkerigheid van Gods charité.

Deze overwegingen proberen het onmogelijke: wat onzegbaar is te verwoorden. Dat gaat niet. Maar dat betekent niet dat het onzegbare niet concreet ervaren kan worden in wat ons overkomt en hoe we omgaan met wat ons overkomt. Ik keer terug naar cantiek 148 de charité en lees de laatste strofe:

Grote God, wie kan doof blijven voor de wetten van de charité
die u deed neerdalen in onze mensheid?
Inderdaad, ik schik mij in uw zachtmoedige autoriteit.

 Montfort ‘schikt zich’. Andries Govaart geeft ons te zingen:

Inderdaad, ik geef mij over
aan uw vast en mild beheer.

‘Schikken’, ‘zich overgeven’, het zijn activiteiten van ons hart en onze ziel die ik herken als ‘mariaal’. Maria schikt zich, geeft zich over en zij doet dat niet omdat zij dat moet, maar omdat zij dat graag wil: mij geschiede naar jouw woord. Schikken en zich overgeven hebben iets in zich dat te maken heeft met: ‘het kán niet anders, het móet zo’. Zoiets als het Duitse müßen.

Ik moet liefhebben, liefhebben God verborgen in mijn naaste.

Ik moet niets, Montfort moet niks, het is veel erger. Het kán niet anders. Eenmaal geraakt door Gods charité kan ik er niet meer omheen mijzelf over te geven en te zeggen: ‘Hier ben ik’. Niet in de eerste, maar in de vierde naamval: dit is mijn lichaam, mij geschiede naar jouw woord, ja ik wil. Het moet wel, ik kan niet anders, dat is mijn plicht, laat Andries Govaart ons zingen.

 

2.2 De muziek

Andries Govaart heeft de vertaalde zinnen van Wiel Logister in een poëtische vorm gegoten en is daarin goed geslaagd, vind ik. Maar teksten, ook teksten van gezangen, worden niet geacht in een gedichtenbundel in de kast te staan om af en toe gelezen te worden, maar moeten op muziek gezet worden zodat ze gezongen en vooral gehoord kunnen worden. Want alleen zingend komt het lied tot zijn recht, horen we wat er niet staat, raakt het ons en kunnen we zoals Montfort tot besef komen. Vanuit die drijfveer heeft Frans Bullens zijn muziek gemaakt en het resultaat horen we vanmiddag. Proficiat, zou ik zeggen. Wat mij persoonlijk aangenaam verrast, is de wijze waarop de zegging van de tekst muzikaal vorm heeft gekregen: woorden en zinnen krijgen in de melodie de ruimte die ze nodig hebben om ‘naar binnen’ te komen. Dat is een groot wonder: als woorden in het zingen via onze eigen mond gaan klinken en daarna via ons eigen oor ontvangen kunnen worden, dan kunnen ze hun meditatieve werking in ons hoofd, hart en ziel hebben.

Of deze cantieken een plaats kunnen krijgen in een liturgisch ritueel, is afwachten. Mij lijken ze heel goed passen in een meditatieve setting, waarin een van deze cantieken beluisterd of gezongen wordt en waarna in een meditatieve dialoog – ik denk aan de collatio in de Moderne Devotie – de tekst door de deelnemenden kan worden toegeëigend. Daar zullen de inleiding en achtergrond van Wiel Logister een goede dienst kunnen bewijzen.

 

3 Ten slotte

Aan mij is gevraagd een mondelinge recensie te geven van het boek en de CD. Als ik dit schriftelijk had mogen doen, had ik dit veel gemakkelijker gevonden, omdat dan toch niemand je ziet of nog beter: niemand je hoort. Want in jouw spreken, en nog erger: in jouw zingen, kun je geen schijn meer ophouden: in jouw stem hoor je alles. Er is geen schuilen meer mogelijk. Dat voel ik nu ik aan mijn laatste punt ben gekomen.

Ik zou ik graag nog iets willen zeggen over wat ik mis in dit prachtige boek. Niet als kritiek, maar vanuit de ervaring die ik heb mogen opdoen in al die jaren dat ik zelf bezig ben met het bestuderen, overwegen, toonzetten en bidden van teksten.

In het boek staan verrassend mooie en heel duidelijke afbeeldingen van het manuscript van de cantieken, en zoals we kunnen lezen aan het begin van het boek zijn er behoorlijk wat manuscripten over – door Montfort zelf geschreven. Wat mij opvalt in de handschriften is dat de auteur zo nauwkeurig en heel netjes zijn regels noteert in een strofische vorm, waarin de regelval opvalt en het rijm zichtbaar wordt. Ik vind het jammer dat in de vertaling deze regelval is weggelaten. Er zijn goede argumenten om dit niet te doen – het boek zou twee keer zo dik worden – maar toch.

Vanuit het perspectief van de spiritualiteit is regelval in een tekst vaak een mogelijkheid om het onzegbare in het wit achter de eerste regel onhoorbaar te laten klinken. Wanneer dan de tweede regel volgt, blijft het onzegbare ongezegd, maar in het wit kiert de taal waardoor een glimp van de wederkerigheid van Gods charité kan worden opgevangen. Hoe zouden die strofen en die regels in het Frans geklonken hebben?

Anders gezegd: het boek dat voor mij ligt, geeft mij zoveel te denken dat ik er hebberig van word; laat ik dus blij zijn met wat we vandaag hebben gekregen, en er lang van genieten.

Hooggeleerde Logister, beste Wiel,

van harte proficiat met de publicatie van uw mooie boek. U hebt in de afgelopen jaren verschillende boeken het licht doen zien waarin u de spiritualiteit van Grignon de Monfort voor een breder publiek hebt laten zien. Dat verdient onze waardering en respect. Met dit boek bent u een stap verder gegaan. De cantieken van Montfort hebben uzelf ook richting mogen wijzen en volgens mij mogen we in de titel horen tot welk besef Gods charité niet alleen Montfort, maar ook u gekomen bent: Gods liefde voor mensen doet ook u – en nu vandaag ook ons – dichten en zingen. Daarvoor heel veel dank. Felicitaties gelden natuurlijk ook de Montfortanen die het opnieuw wagen zo’n mooi vormgegeven boek uit te geven: proficiat en veel dank.

Andries Govaart en Frans Bullens wil ik feliciteren met hun zeer geslaagde onderneming zeven liedvertaling van Wiel Logister om te talen in strofen en deze vervolgens te toonzetten. Wij zijn collega’s en wij weten als geen ander nooit, hoe ons werk ontvangen wordt en welk leven onze liederen beschoren zullen zijn. Aan jullie creatieve werk aan Cantiek 145 Kom mij te hulp zal het niet liggen want dat verdient volgens mij een plaats in de getijden op Mariafeesten.

En dan last but not least een woord van dank aan degenen die de CD hebben gemaakt: de leden van het projectkoor, de instrumentalisten, de opnameleiding, de redactie van het boekje, zonder jullie zouden deze cantieken niet de ruimte hebben gekregen die ze verdienen en nodig hebben. Proficiat en veel succes.

Ik dank u voor uw aandacht.