Lettergrootte   A A A

Brazilië

missie in Brazilië

Brazilië

De Nederlandse montfortanen begonnen hun missiewerk in Brazilië in 1966. Wat bewoog de leiding van de provincie tot deze stichting, terwijl diezelfde provincie al overbelast was elders in de wereld? Een van de achtergronden was de encycliek Princeps Pastorum (1959), waarin Johannes XXIII een dringend beroep deed op missionerende instanties zich speciaal voor Latijns Amerika in te zetten. De tweede reden was het feit dat de Ware Godsvrucht van Montfort in die periode groot aanzien genoot onder de Braziliaanse geestelijkheid, wat de hoop wekte dat zich spoedig plaatselijke roepingen zouden melden. Maar de onmiddellijke aanleiding had te maken met Mozambique, waar op 24 augustus 1964 Daniel Boormans vermoord werd en waar het bevrijdingsleger FRELIMO spoedig daarna vanuit het noorden begon op te rukken. Dit noopte de congregatie zich uit de Makonde hoogvlakte terug te trekken. Zestien Nederlandse montfortanen verlieten in dat jaar het land. Daardoor kwamen confraters vrij die Portugees spraken en die daardoor vrij snel inzetbaar waren in Brazilië,
Giel Kuijpers en Charles Knibbeler gingen daar eerst op verkenning. Kuijpers (69) was tien jaar werkzaam geweest in Malawi, had vervolgens op dringend verzoek van het hoofdbestuur zeven jaar geassisteerd bij het vestigen van de missie in Belgisch Congo, om daarna een kwart eeuw te werken in Mozambique. Brazilië was zijn vierde en laatste uitdaging: hij had brede missie ervaring, een eindeloos incasseringsvermogen en sprak Portugees. Charles Knibbeler (45) had tien jaar in Nederland gewerkt als volksmissionaris en was daarna zeven jaar directeur geweest van de Bond Zonder Naam. Samen gingen ze op verkenningsreis op 15 april 1965. De ontvangst in São Paulo door kardinaal Agnello Rossi was bijzonder hartelijk. Een eerste gesprek met hem gaf hen alvast een indruk van deze wereldstad, ook wel de locomotief van Brazilië genoemd. Later zou die indruk aangevuld worden in gesprekken met talrijke mensen uit de zielzorg en het bestuur van het bisdom.
In het Braziliaanse pastoraat maakte men onderscheid tussen de streken waar industrie gevestigd is of op gang komt, en de zogenaamde slapende parochies. Waar geen industrie is moeten de mannen dikwijls urenlang reizen om hun werk te bereiken. Dit heeft tot gevolg dat de enkele uren dat ze thuis zijn, in bed worden doorgebracht. Buiten de kerk valt er in deze parochies weinig te beginnen. Waar industrie is, daar is meer leven, activiteit en zielzorg mogelijk. De kardinaal heeft de verkenners van de congregatie twee van die ‘levende gebieden’ getoond, die klaar liggen voor onmiddellijke overname: Osasco en Perús.
 
Osasco, een wijk van São Paulo met gevarieerde en grote industrie, was sinds enkele maanden een eigen gemeente met 180.000 inwoners. Er waren al drie parochies met grote kernen, maar ook met een uitgestrekt achterland. Daar zouden de montfortanen een parochie kunnen beginnen. Over de ligging ervan zou gezamenlijk moeten worden overlegd met het pastoraal centrum en de bestaande parochies. Perús lag net als Osasco 25 km van het centrum van São Paulo. Er was een behoorlijke kerk in aanbouw, waarvan het benedenstuk klaar was. Dat was bedoeld als parochiezaal. Achter de pastorie was een school in aanbouw, die maar langzaam vorderde. In Brazilië wordt gebouwd naargelang men geld contant kan aanbieden. Voorlopig moest de school zich behelpen met een soort schuurzaaltjes. Verder waren er zeven verspreid liggende hulpkapelletjes te bedienen. In 1960 telde Perús nog maar 3.000 inwoners. In 1965 was dat al 35.000. Het aantal kinderen was groot, met ongeveer 700 doopsels per jaar. De parochie was zeer uitgestrekt, met bar slechte wegen. Zonder jeep kon men er weinig beginnen, zeker niet in het regenseizoen. De pastorie was te klein voor drie paters. Zodra de kardinaal het fiat van de congregatie had, zou ze worden vergroot en opgeknapt. De enige priester in Perús was een jonge Italiaan, die na een tweede hartaanval absoluut moest vertrekken, zeer tegen zijn zin.

De voorkeur gaat uit naar Perús, omdat er bijna alles van de grond af moest worden opgebouwd; men zat er nog niet met gevestigde tradities. Het was ook een gebied dat door een team bewerkt kan worden. Verder lag Perús aan de spoorlijn naar de stad, was er nog gezonde lucht, een prachtige natuur en een uitstekend klimaat.
In Rio de Janeiro werd een bezoek gebracht aan de Conferencia dos Religiosos. De leiding was er in handen van Tiago Cloin, een Nederlandse redemptorist. Het instituut bestudeerde nauwkeurig de situatie van de kerk in Brazilië en ried aan naar Usiminas te gaan, een enorm hoogovencomplex van acht km. lengte, 170 km ten noorden van Belo Horizonte, in de staat Minas Gerais. Het verslag vermeldt: ‘Deze nieuwe en kolossale industrie brengt in het hele gebied een maatschappelijke revolutie teweeg, die de mensen nauwelijks kunnen verwerken en die de Kerk in Brazilië in andere industrie gebieden nog nooit heeft kunnen opvangen. In Usiminas probeert men het. Om te beginnen heeft men dit gebied onmiddellijk verheven tot nieuw bisdom en er een bisschop benoemd van 42 jaar. De bisschop is een eenvoudige, collegiale man en een echte zielzorger. De priesters dragen hem op handen. Maar ook hier weer een tekort aan priesters om de werkelijk mooie plannen te verwezenlijken. Het is daarom begrijpelijk dat de Conferencia erop aandringt om hier minstens één post te beginnen. Uiteindelijk wordt besloten een gebied aan te nemen met drie parochies: Horto-Usiminas (1800 zielen), Bom Jardim (10.000 zielen) en Ipatinga (18.000 zielen). Dat laatste is een van de beruchte favelas die iedere stad in het zuiden en ieder industriegebied rijk is. In een varkenshok van wat planken leven op enkele vierkante meter soms acht personen. Er zijn voor deze mensen geen andere mogelijkheden dan roof, terwijl ze de kinderen uitsturen op bedeltocht of prostitutie. In Usiminas ontstaat een geheel nieuw Brazilië, een gebied van de allergrootste importantie’.
    Het derde bezoek was aan het bisdom Lins in de staat São Paulo. Nu eens geen industrie, maar landbouw en veeteelt. De confraters worden allerhartelijkst ontvangen door mgr. Pedro Paulo Koop msc, een Nederlander. De koffieplanters en veefokkers die hier wonen zijn welgestelde mensen. Bovendien wonen er veel ambtenaren, die in Brazilië gerekend worden tot de hogere stand. De ambiance is veel beter dan men hun in São Paulo had voorgeschilderd. Na een aantal mogelijkheden van uiteenlopende aard verkend te hebben werd besloten ook dit bisdom in hun plannen te betrekken. Lins was over de hele lijn voor hen het meest aantrekkelijke werkgebied. Maar daar stond tegenover dat de pastorale noden in São Paulo en Usiminas zeker groter waren.
    De Conferencia adviseert te beginnen met een stichting in São Paulo en Usiminas, de twee uitersten van de grote verbinding São Paulo - Belo Horizonte. De grote verbindingswegen zijn het meest geschikt voor communicatie. Verder loopt deze lijn door de staat Minas Gerais, die bekend staat als het beste gebied voor roepingen. Het advies van de Conferencia wordt aanvaard, maar daarnaast wil men vasthouden aan het bisdom Lins. Dit biedt namelijk een goede uitkomst voor confraters die, om welke reden dan ook, het werk in Perús of Usiminas niet of niet langer aankunnen.
Na deze oriëntatie duurt het nog ruim een jaar voordat de keuze van de toekomstige locaties definitief is vastgesteld en voldoende kandidaten benaderd zijn om het werk te kunnen beginnen. Op 7 juli 1966 laat provinciaal Hermans aan algemeen overste Heiligers weten dat er gekozen is voor de drie werkterreinen die voorgesteld waren door Knibbeler en Kuijpers: Perús in het aartsbisdom São Paulo, Usimina in het nieuwe bisdom Itabara, en ten slotte het bisdom Lins. In het laatste geval mogen de montfortanen zelf kiezen welke van de leegstaande parochies ze willen bedienen. In Perús en Usimina zouden om te beginnen drie confraters te werk gesteld worden, en in Lins twee of drie. Men was nog zoekende. Knibbeler zou overste worden in Perús en optreden als vertegenwoordiger van de Nederlandse provinciaal. Albert Defèsche zou overste worden in Usiminas. Na de goedkeuring van de generale raad in Rome laat provinciaal Hermans op 25 augustus aan Tiago Cloin in Rio de Janeiro weten dat op 7 november 1966 pater Kuijpers en broeder Benedictus (‘Bento’) Buitinga naar Perús zullen vertrekken. Pater Knibbeler, die nog een en ander te doen heeft voor de Bond Zonder Naam, volgt in januari 1967.
Op 7 november vertrekken ook de paters Albert Defèsche en Horacio Segura. Zij zijn bestemd voor Usiminas, waarheen in januari 1967 nog een derde kracht zal gaan. Ze arriveren op 5 december 1966. Ze krijgen van het bisdom Itabira drie plaatsen aangeboden, maar de gebouwen - voorzover ze er zijn - verkeren in een erbarmelijke staat. Alles moet nog min of meer van de grond worden opgebouwd. Er is door de provincie een derde confrater beloofd, maar daar is geen zekerheid over. In augustus 1967 ontvangt provinciaal Hermans een brief van Defèsche, waarin deze zich beklaagt over de isolatie waarin men is komen te verkeren, met betrekking tot zowel het bisdom Itabira als de twee andere montfortaanse werkplekken in Brazilië – São Paulo en het bisdom Lins. Beide missionarissen verlaten in de loop van 1967 het bisdom. Provinciaal Hermans komt op visitatie van midden december 1967 tot januari 1968. Hij heeft toen alle staties bezocht en alle confraters gesproken. Klaarblijkelijk heeft hij van sommige confraters kritiek vernomen op het feit dat men parochies in het bisdom Lins aangenomen had en niet alle confraters in het randgebied van São Paulo had gevestigd. Pater Hermans verdedigt de vestigingen in Lins met verwijzing naar ‘het voortdurend aandringen van mgr. Koop’ en vanwege de wenselijkheid van ‘een aangepast arbeidsveld voor diegenen die al een half priesterleven achter de rug hebben’. Hij had er kunnen toevoegen: voor hen die altijd op het Afrikaanse platteland hebben gewerkt en niet opgewassen zijn tegen een zwaar geïndustrialiseerde omgeving, gecombineerd met een zeer zelfbewuste mentaliteit van de kant van de bevolking.

In 1969 werkten in Brazilië 10 leden van de Nederlandse provincie. Men verzorgde er zeven parochies in de buitenwijken van São Paulo en vier parochies in het Bisdom Lins. Missieoverste was nog steeds Charles Knibbeler met als standplaats de parochie Perús. Pater Menten verlaat in 1974, om gezondheidsredenen, zijn parochie in het bisdom Lins om in Sittard rector bij de zusters van de Kollenberg te worden. Hij werd in zijn parochie opgevolgd door Leo van Winden, die overgekomen was uit Malawi. In 1975 kreeg de montfortaanse missie in Brazilië de status van ‘regionale communiteit’ en daardoor wat meer zelfstandigheid.    
De gespannen politieke situatie in het Brazilië van die dagen zorgt voor een voortdurende angst om gevangen gezet of gedeporteerd te worden, als men de onrechtvaardige toestand aanklaagde. Ook de kerk gaat niet altijd vrijuit. Sommige kerkelijke functionarissen spannen zich in om mogelijke kritische geluiden al bij voorhand onmogelijk te maken. Tegelijkertijd zijn er figuren als Dom Helder Camara en Dom Evaristo Arns, mensen met een sterk profetisch besef. Van tijd tot tijd lijken er veranderingen op komst; woorden als democratisering, rechtsstaat en dialoog hangen voortdurend in de lucht; uitingen van ontevredenheid, studentenmanifestaties, alsook van andere groepen, die veranderingen wensen, zijn hoopvolle tekenen. Maar voorlopig zit het militaire bewind nog stevig in het zadel en houdt het vast aan de politieke filosofie van de revolutie van 1964. Er is wel wat meer persvrijheid, maar zogenaamde subversieven worden nog steeds gevangen gezet en politieke tegenstanders worden vermoord. De kerk neemt een steeds duidelijker positie in bij het bestrijden van onrechtvaardigheden, het verdedigen van onderdrukten en het vechten voor erkenning van de mensenrechten. Deze situatie schept wel eens spanningen, maar men voelt zich in het algemeen niet gehinderd in het werk en zet zich samen met de beslist moedige bisschoppen in voor een meer humane samenleving. In bepaalde omstandigheden kan het wel eens moeilijk zijn te beslissen wat men wel en wat men wel dan niet moet zeggen en of men duidelijk partij moet kiezen.
Tot slot is er het Brazilië van de Afro-Braziliaanse religies, die zich voornamelijk manifesteren als hulpverlenende instanties rond ziekte en ongeluk en die ook een aanzienlijke katholieke cliëntèle weten te trekken. Het resultaat is in veel gevallen een mengvorm van christendom en Afro-Braziliaanse elementen. Charles Knibbeler schrijft hierover:

‘Brazilië is het grootste katholieke land ter wereld. Maar op de keper beschouwd is de kerk niet meer dan een verzameling statistieken over sacramentele overproductie. We hebben te doen met een folkloristische kerk die cachet moet geven aan sociale, feestelijke en politieke gebeurtenissen. Ze moet present zijn, liefst zo paars mogelijk, bij de installatie van generaals. Er kan geen diploma worden uitgereikt zonder missa, terwijl niemand weet wat een eucharistieviering is. Je ontmoet voor het eerst in je leven een kindermaatschappij van grote mensen. Maar in heel die vreemde, ordeloze en tegenstrijdige situatie is de laatste jaren een jonge, frisse kerk aan het opbloeien’.

Op verzoek van de confraters brengt de provinciaal van 9 april tot 3 mei 1978 een bezoek aan Brazilië. Hij bezoekt alle confraters in hun parochie en ontmoet ook Dom Evaristo Arns, aartsbisschop van S. Paulo, en mgr. Benedito, de bisschop van Lapa, een randgebied van S. Paulo waar de confraters werken. Voorafgaande aan dit bezoek schreef Piet Schoen een officieel rapport over de stand van zaken, waarin hij nogmaals vaststelt dat de montfortanen in Brazilië voornamelijk werken onder de armen en voor de armen. Dit geldt ook voor de parochies in het bisdom Lins, hoewel de armoede daar minder schrijnend is. In dit opzicht beantwoordt het werk volledig aan het montfortaans charisma: evangelisatie van de armen, die niet alleen in materiële armoede leven, maar ook vervreemd zijn van de kerk en verstrikt in bijgeloof en syncretisme. Er zijn geen concrete plannen voor andersoortig werk. In een brief beschrijft Math Vroemen het sociale werk dat mede onder zijn leiding plaatsvindt in Perús. Iedereen die hulp komt vragen, wordt verwezen naar het spreekuur van de Sociale Actie, dat vier keer per week wordt gehouden. Daar worden naam en adres van de familie genoteerd en het probleem waar men mee zit. Vervolgens worden deze families thuis bezocht, waarbij men probeert samen een oplossing te vinden. Het kan gaan over het krijgen van geneesmiddelen, voedsel of noodzakelijke documenten, een crèche voor kinderen van werkende vrouwen, een naai- en knipcursus etc.
In de eerste jaren werd er geen serieuze poging gedaan om tot een montfortaanse opleiding te komen. Men was aanvankelijk te bescheiden of te huiverig geweest om aan propaganda of werving te doen. Wel had Hub Jongen een bescheiden boekje gepubliceerd over het leven van Montfort. De stichter en zijn spiritualiteit waren in bepaalde kringen bekend, maar niet bij het volk. Tot nu toe waren er geen serieuze kandidaten. Waarom dan plannen maken over een eventuele vorming en opleiding? Bovendien bestond bij een gedeelte van de groep enige huiver t.a.v. een seminarieopleiding. Er was meer interesse voor vorming van lekenleiders in basisgemeenschappen. Dat verandert in 1975 na een bezoek van de generale overste. Men brengt dan enkele kandidaten voor een escola apostolica bij elkaar in de parochie Jardim Rincão. Naderhand verhuist dat groepje naar de parochies Taipas en Perús om daarna vaste voet aan de grond te krijgen in het noordelijke Joã Monlevade, waar de kans om plaatselijke roepingen aan te trekken groter zou zijn. Maar ook dat bleek uiteindelijk een teleurstelling.

Tijdens het algemeen kapittel van 1981 werd Brazilië in status verhoogd tot regio. Op dat moment telde de montfortaanse communiteit er zestien leden, verspreid over een aantal parochies binnen São Paulo en het bisdom Lins. Er bestond hoop op verdere groei, want een aantal jongeren bleken belangstelling te hebben voor het montfortaanse leven. Piet Schoen organiseerde een provisorisch kleinseminarie in Jardim Rincão met vier van hen. Een jaar later zouden er naar verwachting zeven jongeren zijn, maar dat bleek ijdele hoop. Voor en na gingen de meeste weg; het merendeel zag op tegen de ongehuwde staat, maar een enkeling ontbrak het ook aan perspectief. Een eerste mijlpaal werd desondanks bereikt toen vice-regionaal Peter Stevens in december 1982 de eerste geloften mocht afnemen van frater Luiz Stefani.
Het tweede grote moment kwam op 6 december 1985, toen Luiz  als eerste Braziliaanse montfortaans priester gewijd werd door Evaristo kardinaal Arns in concelebratie met Dom Alfredo, de bisschop van Lapa, en vele confraters. De wijding vond plaats in de eigen parochie van Luiz, waar Piet Bonnier in die tijd pastoor was.
Van Nederlandse zijde waren aanwezig Frans Stams en Peter Denneman, van wie een bewogen verslag in Pro Nostris verscheen. Toentertijd oefende het Vaticaan  zware druk uit op kardinaal Arns wegens diens kritiek op het beleid van de Braziliaanse regering jegens de armen. Het laaiende enthousiasme bij gelegenheid van de priesterwijding was ongetwijfeld ook een sympathiebetuiging aan de kardinaal. Maar Rome wist ten slotte diens invloed te beknotten door São Paulo in vijf onafhankelijke bisdommen op te delen
Na zijn wijding kreeg Luiz opdracht zich te bekwamen voor de taak van formateur. Hij zou om te beginnen kennis gaan maken met een aantal montfortaanse communiteiten elders in Latijns Amerika en daarna spiritualiteit gaan studeren, naar alle waarschijnlijkheid in Rome, om ook daar contacten te leggen. Peter Stevens zou hem voorlopig vervangen als vormingsleider van de kandidaten die er nog waren of zich zouden aanmelden in Jardim Rincão. De aanwas blijft echter uit. Tegelijkertijd mindert langzaam maar zeker het aantal missionarissen. Waren er bij het begin van het mandaat Lemire nog zestien, begin 1988 zijn het er nog maar tien, waarvan slechts één beneden de 50 jaar. De groep in het bisdom Lins is dan al praktisch verdwenen. Peter Stevens doet in 1987 een jaar pastorale theologie in Nijmegen en gaat daarna niet meer terug naar Brazilië. In plaats daarvan neemt hij een benoeming aan voor het Rotterdams vreemdelingenpastoraat. Luiz Stefani van zijn kant verkoos, na een jaar Rome, zijn studie spiritualiteit voort te zetten in São Paulo, waar hij tegelijkertijd zijn taak voor het roepingenwerk kon voortzetten.
Intussen heeft broeder Antoon van Noye de benodigde verloven en papieren om zijn missionarisleven in Brazilië te beginnen. Hij vertrekt eind november 1988. Hij volgt een taalcursus in de hoofdstad Brasilia en gaat dan op zoek naar werk. Op dat moment is Piet Schoen in zijn parochie begonnen met een bescheiden vakschool voor jongens en meisjes die zich mag verheugen in een grote toeloop. Na een kleine twee jaar hebben al ongeveer 200 kinderen een diploma ontvangen en zijn ze zich ofwel verder in dat beroep aan het bekwamen of rechtstreeks aan het werk gegaan. Piet en zijn mensen zijn niet ontevreden. De naaicursussen en de cursus textielschilderen lopen prima en onlangs is men ook met timmeren gestart. Het had lang geduurd voordat men een instructeur had gevonden, maar eindelijk meldde zich een gepensioneerd iemand, die er plezier in had. Maar hoe noodzakelijk deze praktische hulp ook was, er moest haast gemaakt worden met het aantrekken en opleiden van Braziliaanse montfortanen, die het werk konden voortzetten.
Het provinciaal bestuur in Nederland was van oordeel dat het vormingswerk in Brazilië prioriteit hoorde te krijgen. Intussen was er al een interprovinciaal vormingsteam aangesteld, bestaande uit Luiz Stefani (Brazilië), padre Luciano (Peru) en padre Gabriel Reyes Canas (Colombia). In augustus 1992 ging provinciaal Hustin op bezoek om te bekijken wat de provincie kon doen om het vormingsteam ‘op de rails te zetten en te bemoedigen’. Genoemde drie confraters hadden inmiddels ruim een half jaar samen gewerkt en wilden nu graag hun bevindingen te kennen geven. Wat Brazilië betreft spreekt men van een dringende noodzaak om na 25 jaar missiewerk opnieuw te beginnen met wat zij noemen de ‘stichting van de congregatie in dit land en binnen de omlijsting van deze particuliere Kerk, om aldus aan de opbouw van het Rijk Gods mee te werken in de montfortaanse geest’. In de tijd dat het team onderzoek deed in São Paulo, was men al tot de bevinding gekomen dat het beter zou zijn elders te beginnen. São Paulo was volgens velen geen geschikt gebied om op roepingen te rekenen. Het was ook niet goed om de opleiding te vestigen in de streek waar de confraters hun parochies hadden. De leden van de vormingscommuniteit zouden dan gemakkelijk gevraagd worden om assistentie te verlenen in die parochies en zich op die manier kunnen ‘verliezen’ in het pastoraat. De staat Minas Gerais leek een beter werkterrein. Hun bezoeken hadden hen op het spoor gezet van Mariana, een toeristisch gebied, en van Itabira, een meer geïndustrialiseerde streek. Uiteindelijk viel de keuze op het bisdom Itabira, meer in het bijzonder op de parochie Carneirinhos in de stad João Monlevade, een kleine twaalf uur per auto van São Paulo, in de onmiddellijke nabijheid van het diocesane seminarie en andere studiemogelijkheden. De drie confraters wilden daar een gedeelte van een parochie op zich nemen, liefst waar de meeste armen woonden, om van daaruit hun roepingenproject te beginnen.

In 1993 zijn er elf Nederlandse montfortanen werkzaam in Brazilië. Twaalf jaar later zijn het er nog maar vijf. De congregatie had zich wegens personeelsgebrek moeten terugtrekken uit het bisdom Lins en beperkte zich nu tot het aartsbisdom São Paulo onder kardinaal Arns en diens hulpbisschop Don Angelico. Vier paters zijn werkzaam in de parochiële zielzorg. Broeder Antoon van Noye runt Sitio Agar, het centrum voor Aids-kinderen die ouderloos of verstoten zijn of voor wie de eigen familie geen kans ziet te zorgen. Tot twee keer toe werd het centrum vereerd met hoog bezoek uit Nederland: in 1998 prins Willem Alexander en in maart 2003 koningin Beatrix, samen met prinses Maxima.

In São Paulo zijn er kansen te over om echt montfortaans bezig te zijn. De parochies liggen in de periferie. Het is een volkse kerk, de kerk van de leek; de mensen nemen veel zelf op zich. Het zijn geen parochies die door buitenstaanders worden verzorgd; men verzorgt zichzelf zoveel mogelijk. Toch is er ook sprake van spijt en onmacht onder de confraters: ‘Spijt omdat we ons door onze keuze voor parochies - om welke reden dan ook – ons zelf de mogelijkheid ontnomen hebben deel te nemen aan vormen van buitengewone zielzorg als bijvoorbeeld het geven van volksmissies. Onmacht, want voor ons is de charismatische beweging een probleem. We weten er niets van en zien het als een bedreiging; we weten er geen weg mee. De sekten nemen ook in aantal toe, in ieder stadsdeel’.
In 1993 bestaat het internationale vormingsteam in Jão Monlevado uit de paters Luciano (Italië), Luiz Stefani (Brazilië) en Amilcar (Portugees). Later komt Leo Muitjens daarbij. Er zijn drie kandidaten aangenomen, volwassen mannen tussen 23 en 27 jaar. Ze volgen filosofie op het diocesane seminarie dichtbij en helpen mee in de parochie. De bedoeling is dat de kandidaten, mits geschikt bevonden, gaan deelnemen aan een gemeenschappelijk noviciaat in Peru, om ten slotte theologie te studeren in Bogota, Colombia. Maar ook dit bleek geen succes. De kandidaten gaven het uiteindelijk op. In 2002 ging het vormingsteam 2002 deel uitmaken van de Italiaanse provinciale delegatie in Peru om op deze wijze de krachten te bundelen voor de montfortaanse toekomst in Latijns Amerika. De Nederlandse confraters in São Paulo vormen samen een communiteit van de Nederlandse provincie.