Lettergrootte   A A A

Canada

Op verzoek naar Canada

Canada heeft een belangrijke rol gespeeld in de mondialisering van het Gezelschap van Maria. Daarom wordt deze geschiedenis hier gememoreerd. Montfort droomde er in de eerste jaren na zijn priesterwijding van als missionaris naar Canada te gaan, iets dat zijn volgelingen nooit vergeten hebben. Toch is de congregatie er vooral dankzij mensen van buiten terecht gekomen. Voor de Nederlandse provincie is deze stichting om drie redenen van belang. Ten eerste omdat ze laat zien hoe in de congregatie het leven conform de Voorzienigheid wordt opgevat: enerzijds met een grote openheid voor tekens van God, anderzijds met veel eigen inzet. Ten tweede omdat Nederlandse confraters in Canada hun werkterrein hebben gevonden. Ten derde omdat de huiver van het generaal bestuur tegen elke nieuwe stichting later ook ten aanzien van Nederland een grote rol heeft gespeeld.
Dit oorspronkelijk Frans bezit (la Nouvelle France) was in 1763 bij de Vrede van Parijs aan Engeland toegevallen en in 1867 een zelfstandig onderdeel (Dominion) van het Britse Rijk geworden. Desondanks ging de immigratie vanuit Frankrijk door, vooral na de Franse Revolutie. Onder de immigranten bevonden zich honderden priesters, zoals de Sulpiciaan Victor Rousselot, afkomstig uit Cholet niet ver van Saint-Laurent. Daar was hij ook kapelaan geweest. In Canada werd hij pastoor van de parochie ‘Notre Dame’ in Montréal. Zijn zorg ging in het bijzonder uit naar de straatjeugd, maar dat werk was te veel voor één persoon. Jarenlang had hij uitgezien naar kloosterlingen, die zich het lot van die jonge zwervers, algemeen aangeduid als ‘weesjongens’,  zouden aantrekken.

    Nu was er in Montréal een vereniging die zich inzette voor de kolonisatie van de Laurentiaanse berglanden, speciaal van het deel dat viel onder het bisdom Montreal. Een prominente figuur binnen die onderneming was een zekere pastoor Labelle. Hij had zich zo verdienstelijk gemaakt voor dit pionierswerk dat hij officieel werd aangesteld als verantwoordelijke voor het agrarische beleid van de regering in de Provincie Québec. Onder zijn leiding werd een stuk land aangekocht in de bergen, vijftig kilometer ten noorden van Montreal. Daar ontstond een kleine nederzetting, die rond 1880 was uitgegroeid tot een bescheiden commercieel centrum. De nieuwe kolonie en tevens parochie heette Saint-Jerôme; pastoor was Labelle zelf. Ook kocht men iets verder naar het noorden, in het district Wentworth, op basis van kadastrale gegevens drie percelen, zonder ze gezien te hebben. Men noemde die nieuwe parochie alvast ‘Notre Dame des Lacs’. Een van de medestanders van Labelle was de al genoemde Rousselot. In het begin was hij niet zo enthousiast over die plek in de wildernis, maar plotseling zag hij een mogelijkheid voor een rendabele exploitatie. Hij zou de weesjongens van de stad van de ondergang kunnen redden door hen daar een vakkundige agrarische opleiding te geven. Met een weeshuis plus landbouwschool, onder het bestuur van toegewijde kloosterlingen, zouden zijn belangen en die van Labelle het best gediend zijn. De voorgestelde oplossing sloeg onmiddellijk aan. In de zomer van 1880 kwam een comité tot stand ter voorbereiding van de geplande stichting, o.a. via fondswerving. De stichting werd ten slotte onderdeel van de kolonisatiepolitiek van het bisdom Montreal. Vanwege de barre wintermaanden moest de start van de werkzaamheden worden uitgesteld tot de lente van 1881. Toen het zo ver was, werd met man en macht een watermolen gebouwd, die een zware cirkelzaag aandreef voor het maken van de benodigde planken. Bij het invallen van de winter werd het werk onderbroken tot mei 1882. Tijdens die wachtperiode werd eenstemmig besloten om het volgende jaar met de bouw van het weeshuis te beginnen; de plannen lagen klaar.
    
Toen Rousselot de bisschop van Montreal op de hoogte bracht van de plannen, kreeg hij de zegen over de onderneming, al maakte de bisschop meteen duidelijk dat men niet op enig geld vanuit het bisdom hoefde te rekenen, want dat was er niet. Vervolgens wendde Rousselot zich tot de aartsbisschop van Ottawa in de tweetalige provincie Ontario, Joseph Thomas Duhamel, die bekend stond als een groot Mariavereerder. Het aartsbisdom was onmetelijk groot en nog nauwelijks georganiseerd. Rousselot stuurde de aartsbisschop een volledig verslag van de stichting en vroeg verlof om het Gezelschap van Maria uit te nodigen om de leiding van het weeshuis met vakschool op zich te nemen. Rousselot kreeg niet alleen verlof, maar zelfs een dringende aansporing om zo vlug mogelijk naar Saint-Laurent te schrijven en de algemene overste te verzekeren dat de montfortanen niet alleen dringend nodig waren, maar ook van harte welkom. In zijn historische brief laat Rousselot niet na een gevoelige snaar te raken door eraan toe te voegen dat dit de kans is om één van de grootste wensen van de stichter in vervulling te doen gaan.

Algemeen overste Guyot was minder enthousiast. Het noviciaat in Schimmert was in oktober 1881 nog geen twee maanden oud. De verhuizing alleen al had een kapitaal gekost; elke maand moest de huur opgebracht worden, en er moest nog gegeten worden ook. Zeker, Montfort had wel eens het verlangen geuit ‘de wilden van Canada’ te gaan bekeren, maar dit weeshuis met vakschool was heel iets anders. Rousselot was teleurgesteld, maar aartsbisschop Duhamel maande hem tot geduld en beloofde het jaar daarna zelf naar Saint-Laurent te gaan, aansluitend op zijn ad limina bezoek in Rome in juni 1882. De aartsbisschop stond er bij die gelegenheid op het hele boerenbedrijf van de broeders te mogen bekijken. Hij liep mee van de ene stal naar de andere, bekeek de schuren, boomgaarden, weiden en velden, zag hoe boter en kaas gemaakt werden en bezocht ook de timmerafdeling. Uiterst tevreden over alles wat hij gezien en gehoord had, herhaalde hij zijn uitnodiging om naar zijn bisdom te komen. Pater generaal was een en al hoffelijkheid, maar verbond zich tot niets.
De vrienden van het weeshuis hadden intussen besloten om op het feest van Sint Anna, patrones van de provincie Québec, de zaagmolen in te zegenen, maar sinds de terugkeer van de teleurgestelde aartsbisschop was er reden om er ook een dag van gebed en boete van te maken. Duhamel was er vast van overtuigd dat de keuze van Rousselot de juiste was. De paters zouden de geestelijke zorg op zich kunnen nemen voor de kinderen van het weeshuis en misschien ook voor de mensen uit de omgeving. De broeders hadden voldoende kennis van zaken en ervaring om een landbouwschool te leiden. Dat had hij met eigen ogen gezien in Saint-Laurent. Jammer was alleen, dat de montfortanen zo weinig belangstelling hadden.

    Op het feest van Sint Anna maakten de vrienden van het weeshuis, onder leiding van Rousselot en Labelle, in stromende regen de moeilijke tocht naar de zaagmolen. Na de mis werd de molen plechtig ingezegend en toegewijd aan Sint Jozef. Verder werd er een groot houten kruis op een nabijgelegen heuveltje geplant. De beide pastoors spraken de mensen toe over de verhevenheid van hun onderneming, over de moeilijkheden waarmee ze te kampen hadden gehad, en de moeilijkheden die nog te verwachten waren. Maar ze moesten goede moed houden. Kon met de hulp van boven het onmogelijke niet mogelijk worden? Hun eerlijke pogen zou zeker met welslagen bekroond worden.
Een paar maanden later schrijven zowel Rousselot als de aartsbisschop opnieuw naar Saint-Laurent. De pastoor nodigt de algemene overste uit om eens te komen kijken of anders een paar van zijn mensen te sturen om poolshoogte te nemen. Duhamel dankt nog eens voor de goede ontvangst in het moederhuis. Het feit dat hij zo lang gewacht heeft met schrijven, moet niet opgevat worden als een teken dat hij intussen van gedachten is veranderd. Integendeel, Rousselot heeft nog steeds zijn volle steun en hij onderschrijft diens verzoek om zo spoedig mogelijk een of twee verkenners naar Canada te sturen.

Twee verspieders: broeder Hugolin en pater Fleurance

Deze keer hadden de aanvragers meer succes. Het generaal bestuur besloot na veel bidden en veel vergaderingen een pater en een broeder naar Montreal te sturen. In die tijd werkten er liefst tachtig montfortanen, broeders en kandidaat broeders, in het moederhuis. Toch had het bestuur geen enkele moeite om hun man te vinden in de persoon van broeder Hugolin. Hij was vijftig jaar oud en bijna vijfentwintig jaar in de congregatie, en een van de fijnste kloosterlingen en bekwaamste vaklui die men ooit gekend had. Men zag hem niet graag vertrekken, maar nu eenmaal het besluit genomen was, was alleen het beste nog goed genoeg. Pater Fleurance – opnieuw hij! - zou met broeder Hugolin meegaan. Toen Schimmert hem niet langer nodig had, was hij een dag later alweer in de communiteit van Tourcoing teruggekeerd. Hij was nu in zijn beste jaren, zesenveertig jaar oud.

Op 28 april 1883, op het feest van Montfort, gaan ze scheep in Le Havre op een overvol emigrantenschip. Na een reis van elf dagen legt het schip aan in New York en twee dagen later arriveren ze per trein in Montreal, naar eigen zeggen ‘doodmoe en volkomen in de war!’ Ze worden allerhartelijkst ontvangen door Rousselot. Ze blijven een paar dagen logeren om op verhaal te komen en kennis te maken met de vrienden van het weeshuis en alles wat daarmee samenhing. Daar realiseren ze zich voor het eerst dat de term ‘weesjongen’ een eufemisme was voor straatjongen. Daarna volgt de reis naar de plek van het toekomstige weeshuis met vakschool. Eerst met een treintje tot Saint-Jérôme, de parochie van pastoor Labelle. Op 17 mei komen de twee verkenners er aan met hun armzalige koffertjes. Labelle laat zonder omhaal een kist vullen met het allernoodzakelijkste voor een verblijf van twee of drie dagen in de bergen. Fleurance had nog nooit een miskoffer gezien en begreep helemaal niet wat dat moest met zoveel kleine hosties. De pastoor zou er wel een reden voor hebben!
    Op 19 mei klimmen de twee confraters voor de laatste 45 kilometer op een kar die speciaal gebouwd is om het op de slechte bergwegen te kunnen uithouden. Nog geen tien kilometer de bergen in, of ze voelen zich door en door geradbraakt, maar ze moeten voor het donker ter plaatse zijn. De laatste drie kilometer is er zelfs geen weg meer. Via het meer van Chevreuil gaan voerman, lading en reizigers per roeiboot verder. Bij aankomst staan timmerlui en houthakkers klaar met uitgestrekte handen. Fleurance krijgt geen woord over zijn lippen. Even staart hij verdwaasd naar de zaagmolen, het huis en de ongetemde natuur. Dan gaat hij op een rotsblok zitten, verbergt zijn gezicht in de handen en laat zijn tranen de vrije loop. Broeder Hugolin buigt zich bezorgd over zijn confrater heen en hoort hem door het snikken heen fluisteren: ‘wat kunnen we in godsnaam hier aanvangen?’ In andere verslagen van dit moment zijn de rollen omgedraaid en spreekt de sterke pater de weifelende broeder moed in. Zo wil de officiële rolverdeling het blijkbaar!

De twee volgende dagen zouden beslissend worden. Na de mis gingen de twee confraters op verkenning uit. De drie percelen bleken op agrarisch gebied zonder meer een ramp. De meeste valleien stonden vol water. Vandaar de naam Notre Dame des Lacs! De droge dalen waren woestenijen van afgetuimelde rotsblokken en stenen. Er was voor Fleurance maar één conclusie mogelijk: een hopeloos geval. Broeder Hugolin zag wel mogelijkheden en vond dat ze meer tijd nodig hadden om een beslissing te nemen. De volgende morgen gebeurde het wonder: gisterochtend was alleen het personeel aanwezig bij de mis, nu zat het zaaltje stampvol, wel 50 mensen. Ze hadden gedurende de nacht de lange moeilijke tocht naar het weeshuis gemaakt. Terwijl men afwisselend de rozenkrans bad en liederen zong, hoorde Fleurance de ene biecht na de andere. Na de mis konden beide elkaar slechts omhelzen. Woorden waren niet nodig. Er bestond voor hen geen twijfel meer. In beider ogen stond duidelijk te lezen: ‘Wij blijven! God wil het!’ Vanaf dat ogenblik was de montfortaanse aanwezigheid in Canada een voldongen feit. Op 24 mei schreef Fleurance naar Saint-Laurent. Hij adviseerde de generale raad om het aanbod van mgr. Duhamel en pastoor Rousselot aan te nemen.

Het algemeen bestuur had al rekening gehouden met de mogelijkheid dat het project zou doorgaan en alvast vijf broeders voorwaardelijk benoemd, samen met één pater: Armand Bouchet. Hij en Fleurance hadden samen hun noviciaat gedaan en ze waren sindsdien vrienden gebleven. Aan hem schrijft Fleurance op 26 mei een brief, die geen twijfel laat over zijn besluit de stichting te doen doorgaan:

‘Men leeft hier temidden van een bevolking met een geloof zo levendig als wij het ons in Frankrijk niet meer kunnen voorstellen. Als jij getuige was geweest van het geluk van deze brave houthakkers, toen zij met ongeveer vijftig man de heilige mis bijwoonden in onze als kapel ingerichte kamer, zou jij, net als ik, ook hebben gedacht: koste wat kost, wij móeten ons hier vestigen! Kom dus! We zullen elkaar liefhebben als ware kloosterlingen en zo zullen we sterk genoeg zijn om samen ons kruis te dragen tot in het paradijs’.


Bouchet was een man met een bijzonder verleden. Als twintigjarige kreeg hij een zware aanval van tyfus en was daar bijna onder bezweken. In die hopeloze toestand had hij Maria beloofd montfortaan te worden, als zij hem zijn gezondheid terugschonk. Hij genas volledig. Eenmaal in Canada gaf hij zich helemaal en dat in extreem moeilijke omstandigheden Hij werd dan ook niet ouder dan zesenvijftig jaar, maar had intussen o.a. twee grote weeshuizen gebouwd met plaats voor meer dan 500 jongens.
    Op 1 juni 1883, feest van het Heilig Hart, werd in een voorlopig contract tussen de vrienden van het weeshuis en de congregatie vastgesteld dat de vrienden eigenaars bleven van terrein en gebouwen, maar dat alles ter beschikking werd gesteld van het Gezelschap van Maria. In afwachting van de goedkeuring door het generaal bestuur nam Fleurance namens de congregatie de taak van bestuurder op zich, met alle rechten en plichten van dien. Op 25 juli volgde de officiële goedkeuring door het generaal kapittel en kon het verlossende telegram verstuurd worden: ‘Unanimiter affirmative, Guyot’.

Het moeizame begin

Naast 22 mei, de dag van ‘Wij blijven’, staat 24 augustus als een gelijkwaardige mijlpaal. Met de komst van vijf broeders en een pater is de kleine gemeenschap volledig. De broeders Daniël en Isaias waren bestemd voor het onderwijs in land- en tuinbouw, samen met hun vroegere leermeester Hugolin. Eugène deed de keuken, Arsène de zagerij en timmerwerf. Tot slot was er de jonge Lazare, smid en werktuigkundige, de handyman die alles kon.
    Op 15 september arriveren de drie eerste weesjongens en de dag daarna vindt de officiële installatie van het personeel plaats, samen met de inzegening van weeshuis en landbouwschool door mgr. Duhamel. Tijdens zijn toespraak komt hij met een verrassing. Uit erkentelijkheid voor de komst van de zonen van Montfort vindt hij het eigenlijk niet meer dan rechtvaardig dat de nieuwe nederzetting ook zijn naam droeg. In plaats van de oorspronkelijke naam ‘Onze Lieve Vrouw van de meren’ zou de naam voortaan luiden: ‘Notre Dame de Montfort’. Zijn motie wordt met applaus begroet. In zijn dankwoord zegt Fleurance onder meer: ‘Het werk dat wij vandaag beginnen is omvangrijk en moeilijk. Nooit heeft pastoor Rousselot de waarheid willen verhelen. “Jullie zullen rotsblokken en kruisen vinden”, zo schreef hij ons. Maar naast die moeilijkheden toonde hij ons ook de zielen van talloze kinderen, die steun en leiding nodig hadden. Hij sprak over de geestelijke nood van arme houthakkers en verlaten bergbewoners. We hebben toen de zending van onze stichter herdacht en we zijn gekomen zonder ons door ontberingen en gevaren te laten afschrikken. De heilige Maagd, die tot dusverre alles heeft geleid, zal ons ook in de toekomst niet in de steek laten. Dit is onze hoop en onze kracht; alles verwachten wij van God door Maria.’ Zo werd 16 september 1883 de officiële stichtingsdag van de Noord-Amerikaanse provincie van het Gezelschap van Maria.
    In de laatste week van september ontving mgr. Duhamel een brief uit Saint-Laurent, gedateerd op 22 augustus, waarin het generaal bestuur vroeg in hoeverre de congregatie de school zou mogen gebruiken als uitgangspunt voor andere montfortaanse activiteiten en vestigingen. Het antwoord van 2 oktober uit Ottawa was zeer positief. Los van het al getekende contract verleende de bisschop, zonder voorbehoud en van ganser harte, het verlof om in Notre Dame de Montfort een volwaardige montfortaanse communiteit op te richten en er zonodig een juvenaat te vestigen voor jongens die bij de montfortanen willen intreden. Bovendien heeft de bisschop geen bezwaar tegen het oprichten van een noviciaat, maar het verlof moet van Rome komen.

De volgende twee tot drie jaren zouden onomstotelijk bewijzen dat de hele onderneming zou mislukken, als er niet onmiddellijk vruchtbaar land werd bijgekocht. Vijfendertig km. ten noordwesten van de stichting lag de prachtige Red River-vallei met daarin de gemeente Arundel. Daar waren verschillende stukken land te koop, maar er was geen geld. Wonder boven wonder deed in de loop van 1886 een zekere pastoor Huberdeau een schenking van 1.000 dollar. Die som mocht onder geen enkele voorwaarde gebruikt worden om schulden af te betalen, zoals de montfortanen eerst dachten, maar moest geheel geïnvesteerd worden in de Red River-vallei. Uit dankbaarheid tegenover de gulle gever noemt men deze tweede stichting Huberdeau, al bleef het officiële Bulletin van de Congregatie vasthouden aan de naam van de gemeente Arundel. Mgr. Duhamel biedt de montfortanen twee parochies aan om daar o.a. de verering van O.L.Vrouw te vestigen. Hij kiest voor de montfortanen omdat hij hen kent vanaf de stichting van het weeshuis ‘Montfort’. Vooral Eastview biedt mogelijkheden. Fleurance neemt het voorstel mee naar het reguliere driejaarlijkse kapittel van 1887. Het kapittel stemt vóór en belooft nog eens twee paters en twee broeders naar Canada te sturen. Het koos bovendien pater Amand Maurille tot generale overste, als opvolger van Guyot die op tweede kerstdag was gestorven.

Het weeshuis ‘Montfort’ leed vanaf het begin aan geldgebrek. Vanaf 1881 hadden de vrienden van het weeshuis grote offers gebracht, maar de laatste tijd begon de belangstelling te verflauwen. Ook het generalaat had aanzienlijke sommen bijgedragen. Daarom wilde generaal Maurille grondig onderzoeken, of het wel verantwoord was geld te blijven stoppen in dit schijnbaar bodemloos vat. Een van de assistenten, Henri Jouet, werd als visitator gestuurd en bracht de zomermaanden in Canada door. Hij was met alles en iedereen tevreden, behalve met de plek. Zijn lijst met slechte punten was vernietigend: ‘onvruchtbaar zonder enige hoop op verbetering, geïsoleerd, veel te ver van Montréal vandaan en gevaarlijke toegangswegen’. Uit medelijden met zijn dappere confraters en zusters kon hij het vermoedelijk niet opbrengen om een duidelijk doodvonnis uit te spreken, maar op het einde van zijn rapport schreef hij: ‘Als het weeshuis Notre Dame de Montfort ooit afbrandt, moeten liefdewerk en naam behouden blijven, maar niet op die plek’. Met dat rapport keerde Jouet naar Saint-Laurent terug. Het generaal bestuur kon er echter ook deze keer niet uitkomen. De buurtpastoor van Montfort, de bekende Labelle, had namelijk lont geroken en troefde Jouet af met een schitterend rapport voor de aartsbisschop die het aan pater generaal doorspeelde. De pastoor drukte zijn bewondering uit voor het werk van de montfortanen in het weeshuis en voor het modeldorpje dat daaromheen was ontstaan. Hij besloot: ‘Buigen we ons eerbiedig voor de heldhaftige mannen van God en dienaressen van de Heer. Dit is precies de kloostergemeenschap die onze mensen zo hard nodig hebben’. Toch was Maurille van oordeel dat Bouchet zich erop moest voorbereiden zijn modeldorp te moeten ontruimen. De getemperde toon hielp Bouchet de bittere pil te slikken. Misschien was er toch nog hoop op uitstel of afstel van executie. Bouchet liet zijn omgeving niets merken, maar vroeg telkens weer om gebed tot de intussen zalig verklaarde stichter voor een heel bijzondere intentie.
Na de plechtige afkondiging van het Decreet der Zaligverklaring, 22 januari 1888, werd broeder Honoré tegen eind april getroffen door een dubbele longontsteking met complicaties. In die dagen was daar weinig tegen te doen. Honoré was de dood nabij; de hele nacht werd er gewaakt en in de ochtend las Bouchet de communiteitsmis voor de stervende. Aan de voet van het altaar formuleerde hij de volgende intentie:

‘Gelukzalige Vader, broeder Honoré ligt op sterven. Onze oversten verkeren in onzekerheid over ons liefdewerk. Indien God wil dat we hier in Montfort doorgaan, geef hen een teken door onze stervende broeder te genezen, en laat hem de eerste heilige mis bijwonen welke u ter ere op uw feest zal opgedragen worden’.

Onmiddellijk na mis voelde de zieke geen pijn meer. Op 28 april, feest van Montfort, woonde hij met de anderen de mis bij in de kapel. Na een weekje aansterken was hij terug in de tuin. Hij werkte nog 34 jaar in Montfort en stierf er op 71-jarige leeftijd in 1922. Zijn verpleegster, zuster Aimée du Calvaire, had zijn journaal zorgvuldig bijgehouden en later hebben twee doctoren schriftelijk bevestigd dat er geen natuurlijke verklaring voor die plotselinge genezing gegeven kon worden.
Bouchet greep nu de bedelstaf en trok naar Montréal om met de weldoeners van weleer te gaan praten. Zijn bescheiden persoonlijkheid, tactvolle optreden en begeesterende woorden deden de oude belangstelling weer opbloeien. Daarmee was Montfort voorlopig weer gered, maar er was een vast inkomen van regeringswege nodig. Labelle, die intussen afgevaardigde minister van landbouw en kolonisatie was geworden, zette zich met hart en ziel daarvoor in. Bouchet schreef het verzoekschrift, ging naar Québec en legde zijn plannen voor aan een commissie van kamerleden, en met goed gevolg. Montfort-Arundel werd erkend als landbouwschool van de Staat met recht op subsidie. Ten gunste van de zusters werd de wet enigszins aangepast: voortaan mogen zij ook kinderen jonger dan zeven jaar opnemen. Na een reeks brieven kon Bouchet eindelijk op 15 juni aan de algemene overste melden dat de financiële toestand in Montfort gesaneerd was. Daar kon Maurille niet tegen op. Montfort kreeg twee jaar pardon, tot het algemeen kapittel van 1890. Bouchet en de zijnen konden hun geluk niet op en Labelle schreef:

‘Hoe meer ik de gebeurtenissen te Montfort beschouw, des te duidelijker meen ik daarin de vinger Gods te bespeuren, die zich weinig om de wijsheid der mensen bekommert om tot zijn doel te geraken!’

Hij sloot uit eigen beurs een cheque van 1000 dollars in, voor de missie. Een jaar later worden er weer nieuwe broeders en zusters benoemd voor Montfort - een duidelijk blijk van erkenning! Kort daarop stierf Victor Rousselot, de pastoor die het Gezelschap van Maria naar Canada had gehaald.