Lettergrootte   A A A

Columbia

de missie in Columbia

Columbia

Tijdens het generaal kapittel van april 1903 te Schimmert maakte Henri Jouet, algemeen procurator in Rome, bekend dat de Heilige Stoel de congregatie een apostolische prefectuur had aangeboden in Colombia. Deze geste van Rome was de congregatie niet onwelkom. De beslissing over de missie in Nyasaland was nog steeds hangende. Dit onverwachte aanbod werd opgevat als een teken dat er wellicht een kentering ten goede stond aan te komen in de relatie met de Propaganda Fide. Het aanbod werd dan ook met algemene instemming aangenomen. Tegelijkertijd besloot men af te zien van Peru en de daar aanwezige paters naar elders te benoemen. Drie van hen kregen een benoeming voor Colombia, waaronder de Nederlander Damoiseaux.
Op 23 juni 1903 werd het missiegebied in Colombia officieel toevertrouwd aan de montfortanen onder de naam ‘Prefectuur van Toezicht op het oostelijk gedeelte van Columbia’ (Praefectura Intendantiae Orientalis). Deze vage benaming hield in dat de congregatie er primair een verkennende opdracht had, want het oostelijk deel van Colombia gold toen nog als een onoverzichtelijk niemandsland, waar zo spoedig mogelijk iets moest gedaan worden. Naast de drie resterende ‘Peruanen’ waren nog twee andere confraters voor Colombia bestemd: Eugène Moron - voormalig leraar filosofie en nu benoemd tot  apostolisch prefect - en broeder Cyprien (Eugène Billaud). Dit tweetal vertrok op 11 juli 1903 en bereikte Bogotá omstreeks 1 september.
Direct na zijn aankomst ging Moron zijn opwachting maken bij mgr. Herrera, aartsbisschop van Bogotá en primaat van Colombia. Het werd Herrera al snel duidelijk, dat de twee bezoekers geen enkele notie hadden van het gebied waarin ze moesten gaan missioneren. Er viel hem niets anders te doen dan hen naar waarheid in te lichten. Het kwam er eenvoudig op neer dat oostelijk Colombia enorme gebieden omvatte waar het evangelie nooit doorgedrongen was. Leo XIII meende daar iets aan te moeten doen. Tegen het einde van zijn leven gelastte hij de Propaganda Fide een congregatie te vinden die bereid zou zijn om in dat deel van Colombia op verkenning uit te gaan en er toezicht op te houden. Vandaar de eigenaardige naam van de prefectuur. Niemand wist toen precies hoe groot dat oosten was. De enige duidelijke grenslijnen waren de Orinoco tussen Venezuela en Colombia, terwijl rivieren als de Meta en de Vichada de provincies van het land aangaven. Kortom, de Prefectuur van de Oosterse Intendance was een immens gebied van meer dan 350.000 vierkante kilometer, maar met minder dan 25.000 inwoners, verspreid over steppegebieden en oerwoud. Mgr. Herrera ried de missionarissen ten sterkste af daarheen te gaan vanwege de moeilijkheden die hun daar te wachten stonden. Het was naar zijn zeggen één groene woestenij, zonder ook maar één bestuurlijk centrum waar ze zich zouden kunnen vestigen en met een minimum aan veiligheid. In de grassavannen van het oosten waren maar weinig kolonisten. De Indianen hadden er in het begin van de twintigste eeuw geen vaste plaatsen, kenden geen landbouw en leefden wat de jacht, het verzamelen en vissen opleverde.
Afgezien van de immense omvang van het gebied was er nog een probleem. De pas benoemde missionarissen hadden niet naar Bogotá moeten komen, maar in Venezuela hun reis per rivierboot moeten voortzetten op de Orinoco tot de havenplaatsjes Carreno of Maipures, beide in de Vichada en beide bekend om hun onveiligheid. Wilden ze trouw aan hun opdracht blijven, dan moesten ze rechtsomkeer maken en naar de Vichada reizen via Venezuela en de Orinoco. Men kon daarover echter geen beslissing nemen, voordat ook de drie ‘Peruanen’ volgens afspraak in Bogotá zouden zijn aangekomen. Vanwege allerlei tegenslagen arriveerden zij pas eind december 1903. Tot aller verrassing deed mgr. Herrera toen het voorstel om een deel van zijn immens aartsbisdom af te staan aan de montfortanen, te meer omdat hij ontdekte dat de confraters uit Peru vloeiend Spaans spraken. Ten zuidoosten van Bogotà lag de prefectuur Llanos de San Martin, waarvan hij zelf administrateur was. Daar stonden de missieposten San Martin, Villavicencio en Médina leeg. De confraters hadden niet veel tijd nodig om een besluit te nemen. Zondag 31 januari 1904 verlieten ze Bogotá per muilezel en werden op 4 februari door een jubelende menigte in Villavicencio binnengehaald. Villavicencio was in die dagen weinig meer dan een dorpje aan de voet van de Andes. De streek was dun bevolkt en de gehuchten in het bergland waren alleen bereikbaar per paard of muilezel. Daarvóór werd de streek een kwart eeuw lang, van 1870 tot 1895, eens per jaar bezocht door een pater dominicaan, maar bij aankomst van de montfortanen was de bevolking al een tiental jaren volledig priesterloos geweest. Vandaar de jubelende menigte. Na enige tijd kwam een gunstig antwoord uit Rome. Moron bleef titularis van de Intendantia, maar ontving bij dezen zijn aanstelling als apostolisch prefect van San Martin. Op 21 april 1908 werden de twee prefecturen, Intendantia Orientalis en Llanos de San Martin, samengevoegd tot het Apostolisch Vicariaat Llanos de San Martin, dat op 22 juli zijn naam veranderde in Apostolisch Vicariaat Villavicencio. In hetzelfde jaar werd de toenmalige missieoverste mgr. Jean-Marie Guiot benoemd tot apostolisch vicaris.
    In de eerste jaren was de Colombiaanse stichting vooral een Franse aangelegenheid. Het eerste lid van de Nederlandse provincie dat voor Colombia benoemd werd na pater Damoiseaux, was broeder Martinus (Jozef Claessen), die zijn eerste geloften had gedaan in Schimmert op 28 december 1904. Hij vertrok in 1909 en werkte met grote toewijding dertien jaar lang in de parochie San Martin, totdat een ernstige aandoening hem dwong naar Nederland terug te keren. In 1912 volgde pater Jean Riga, die elf jaar zou werken in Bogotá, San Martin en Calvario, totdat ook hij wegens ziekte naar huis moest terugkeren. In 1914 kwam pater Piet Kok, een geboren Amsterdammer, die tot 1923 in de bovenmissie werkte en toen benoemd werd voor de Vaupes, waar hij belangrijk taalkundig werk verrichtte. Later zou hij hetzelfde doen in Mozambique. In oktober 1915 vertrok pater Clemens Pijls naar Colombia. Hij mocht twee jaar werken in de parochie van Medina, waar hij, ondermijnd door de koorts, overleed in 1918. In 1916 lukte het pater Hubert Limpens net als zijn voorganger, ondanks de oorlog, zijn verre missie te bereiken. Hij was de eerste confrater die rechtstreeks vanuit Nederland voor Colombia benoemd werd. De toename van Nederlandse montfortanen in Colombia onder de Eerste Wereldoorlog had te maken met het feit dat een aantal Franse confraters in eigen land onder de wapenen waren geroepen. In 1916 arriveerde pater Henri Preenen. Hij werkte in San Martin, Uribe en Acacias. Vooral Uribe stond bekend als een zware missie; veertien jaar bracht hij daar door in verschrikkelijke eenzaamheid. De enige afwisseling was de jaarlijkse retraite in Villavicencio. Daar onbrak hij nooit. Na afloop steeg hij dan weer, in de woorden van een confrater, ‘in het zadel van zijn stevige muilezel om te verdwijnen in de bossen op weg naar Uribe, een tocht van 5-6 dagen’. Het waren allemaal tabaksboeren daar. Toen de staat belasting begon te heffen op hun oogst, gingen ze weg en werd Uribe een bandietennest. In 1937 ging Preenen naar het minder eenzame Acacias, waar hij in december 1941 zou overlijden.

Op 7 juni 1912 beval Pius X in de encycliek Lacrimabili Statu het missiewerk onder de haast uitgeroeide Indianenstammen van Zuid-Amerika zeer aan. Hij vroeg speciale aandacht voor de rechtsverkrachting die ze ondervonden van de kant van ‘de beschaafde wereld’. Nog in datzelfde jaar vertrokken de Franse pater Baron en pater Damoiseaux vanuit het bovengebied naar het zuidoostelijke grensgebied van Colombia. De weg door de binnenlanden bleek een onmogelijkheid. Ze reisden daarom via de Magdalenarivier tot aan de Carïbische Zee om vervolgens via de Atlantische Oceaan, voorbij Venezuela, de Guyana’s en een deel van Brazilië, te reizen tot Para Belem aan de mond van de Amazone. Vervolgens voeren ze via de Amazone, de Rio Negro en de Vaupes weer in westelijke richting. De duur van de reis spreekt boekdelen. In 1912 vanuit San Martin in de bovenmissie van Colombia vertrokken, kwamen de twee pioniers in 1914 aan in het plaatsje Cupin aan de rivier de Papuri. De naam Cupin werd door hen vervolgens omgedoopt tot Montfort-Papuri. Daarmee begon de montfortaanse missie in de ‘legendarische Vaupes’, het ‘epos bij uitstek van de Nederlandse provincie’ zoals mgr. Bruls, oud-bisschop van Villavicencio en provinciaal overste van de montfortanen in Colombia, het in 1977 bij een herdenkingsdienst voor pater Herman Leistra uitdrukte.

‘Het was de zwaarste missie van de Nederlandse provincie vanwege de moeilijke bereikbaarheid en het leefmilieu, aan de rand van de groene hel. Men wist nooit hoe lang de reis zou duren, maar het was altijd een kwestie van zes of zeven weken, en bij tegenspoed kwamen er nog een paar weken bij. Was men eenmaal op de plaats van bestemming, dan kwam de druk van de eenzaamheid, want de paters leefden alléén op hun post, en het gebrek aan conversatie. Aan de Rio Papuri, waar de missionarissen zich gevestigd hadden, woonden geen blanken, alleen Indianen. Dat was voor de missionering eigenlijk een voordeel. Maar het had ook tot gevolg dat de missionaris praktisch alleen was. Want de arme, onderontwikkelde Indianen wisten over niets anders te vertellen dan over de vissen welke zij die dag gevangen hadden, en over het wild dat ze gezien hadden in het bos. De rivier en het woud, verder reikte hun horizon niet. En zo elke dag, het hele jaar door, jaren achtereen, tot aan de volgende vakantie’.

Ze moesten hun missiewerk beginnen met de Indianen op te zoeken in het oerwoud, waar deze samenleefden in een zogenaamde maloca, een grote woonhut, gemaakt van boomstammen, palmbladeren en lianen. Deze malocas lagen tientallen kilometers van elkaar. Missionering was onder die omstandigheden vrijwel onmogelijk. Het eerste doel van de missie werd dan ook de mensen bijeenbrengen in dorpjes met een eigen woning voor iedere familie. Men is daar uiteindelijk in geslaagd ten koste van veel moeite en teleurstellingen. In 1918 kwamen ook de eerste Dochters der Wijsheid naar Vaupes om zich er te wijden aan onderwijs en ziekenzorg. Op 13 april van dat jaar kregen de montfortanen in Vaupes van
staatswege rechtsmacht in hun missiegebied. Zij zouden tevens optreden als tussenpersonen in de handel en zich verzetten tegen het wegvoeren van Indiaanse werkkrachten naar de rubberplantages. Dit riep vanzelfsprekend protest op bij de blanke rubberzoekers, die vervolgens een lastercampagne opzetten tegen de paters. Dit leidde in 1920 tot een formele opstand tegen de missie, die als gevolg hiervan leegliep op enkele schoolkinderen na. Uit wraak werden de kerk en het woonhuis van de paters in brand gestoken.

De belangrijkste ontwikkeling in deze periode is, op initiatief van mgr. Joseph Guiot, het opzetten van een volledige montfortaanse priester- en kloosteropleiding. In 1920 (?) werd begonnen met een apostolische school in het bergdorp Calvario. In 1925 werd ze verplaatst naar San Juanito en in 1928 naar Choachi, waar ze tegen het einde van het mandaat Richard rond 35 studenten telde. In 1927 werd begonnen met een noviciaat in San Juanito, een jaar later gevolgd door een scholastikaat in diezelfde plaats. Aldus werd Colombia de eerste montfortaanse missie met een volledige montfortaanse priesteropleiding.
Het Nederlandse aandeel daarin is aanzienlijk geweest. Henri Daniels kwam naar Colombia in 1924 en was tot 1933 leraar aan de apostolische school. Frans Bruls werd in 1925 leraar aan dezelfde school, in 1928 socius aan het daar op te richten noviciaat, in 1929 docent filosofie aan beginnend scholastikaat en in 1930 docent moraal en overste. Joseph Ramakers doceerde van 1930 tot 1945 theologie aan het scholastikaat in San Juanito en na 1945 nog eens acht jaar in San Alban, waarheen het scholastikaat intussen was verhuisd. Behalve scherpzinnig theoloog was Ramakers de architect van veertien kerken, waaronder de kathedraal van Villavicencio. Martin Pieters was leraar in de apostolische school van Choachi vanaf 1930 tot 1946, toen hij parochiepriester werd.
Een bijzonder verlies in deze periode was de dood van Leonard Sijstermans, in het derde jaar van zijn missieloopbaan. In november 1923 vertrok hij naar Colombia en werd benoemd tot kapelaan van de parochie San Martin. Na een jaar werd hij belast met het stichten van een missiestatie te Acacias, waar hij leed onder de onverschilligheid en ondank van de bevolking. Een jaar bleef hij er alleen, wonend in een primitieve hut. Zijn al even primitieve missiekapel diende overdag tot schoollokaal. Begin 1926 werd hij uit een zijn eenzaamheid verlost door Pierre Lanckohr uit Gulpen, kort daarvoor belast met de zielzorg in een penitentiaire inrichting bij Acacias. De vreugde was van korte duur, want op 28 april, feest van Montfort, viel Sijstermans ten offer aan een epidemie. Hij overleed op 12 mei, nog geen dertig jaar oud. Hij werd opgevolgd door Leonard Laplooi die er met een korte onderbreking tien jaar zou blijven en die van zijn confraters de bijnaam ‘Leeuw van Acacias’ kreeg.

Een opmerkelijke figuur in de geschiedenis van de priesteropleiding in montfortaans Colombia was Gerard (‘Girke’) Goltstein uit Guttecoven bij Sittard. Geboren in 1907, ging hij op zijn dertiende naar de apostolische school in Schimmert. Hij schrijft van daaruit in 1926 een brief aan Père Richard met het dringende verzoek hem aan te nemen voor het noviciaat, ondanks zijn postuur van 130 cm en 7 mm. Zou het montfortaans noviciaat voor hem gesloten blijven, dan zou hij trappist worden. De abt van Val-Dieu in het Belgische Aubel was bereid hem aan te nemen, maar het liefst wilde hij toetreden tot het Gezelschap van Maria.
In de loop van dat schooljaar had Girke een ontmoeting met pater Damoiseaux, een van de pioniers in Colombia. Die raakte onder de indruk van zijn groot en eerlijk verlangen naar het priesterschap in het Gezelschap van Maria en raadde Girke aan over zijn moeilijkheden te schrijven naar pater Daniels, oud-leraar van Schimmert, die nu leraar was in San Juanito. Damoiseaux voegde er nog enkele persoonlijke regels bij. Omdat in 1927 de eerste studenten van de apostolische school in San Juanito de retorica bereikten, moest een noviciaat worden opgezet. De leiding van dat noviciaat werd toevertrouwd aan Daniels. Toen die het briefje van Girke kreeg, met de aantekeningen van Damoiseaux, begreep hij onmiddellijk wat een geluk en genade het zou zijn, als de Colombiaanse novicen zo iemand in hun midden zouden hebben. Daniels ging dadelijk met de brief naar mgr Guiot. Die wilde de jongen graag aannemen, als de algemene overste ook zijn toestemming gaf. Richard herinnerde zich de ontroerende brief van Girke uit 1926 en stuurde assistent Pierre Marie Audran naar Schimmert om poolshoogte te nemen. Zo werd ten slotte aan Girke het voorstel gedaan dat hij zijn proefjaar in een montfortaans noviciaat kon doen, als hij bereid was direct naar Colombia te vertrekken. Op 14 juli 1927 volgde de inkleding in Schimmert. Thuis in Guttecoven was hij de held van het dorp en op het jaarlijkse missiefeest te Oirschot stond de kleine jongeman in het middelpunt van de belangstelling.
Hij vertrok op 21 november 1927 met de paters Preenen, Peerboom en Ramakers. Preenen had al twaalf jaar missie achter de rug, maar voor de twee anderen, die op 27 juni priester waren gewijd, was dit ook hun eerste vertrek. Via Parijs ging het naar Saint-Laurent, waar ze allerhartelijkst ontvangen werden. Pater Richard was een week eerder van een lange visitatiereis in Noord-Amerika teruggekomen. Hij was benieuwd frater Goltstein te zien, maar toen deze in levenden lijve voor hem stond, schrok hij zichtbaar. Tot zijn assistent zei hij later: ‘Had ik geweten dat hij zo klein was, dan had ik me toch nog eens bedacht’. Op maandag 12 december bereikte het groepje Colombia en op vrijdagavond 20 januari 1928 begon het noviciaat met een retraite van een week. Ook pater Bruls, de assistent van novicemeester Daniels en getuige van Girke’s uitzonderlijk aanpassingsvermogen, was ervan overtuigd dat die kleine man een geschenk van God was. Hij was er zeker van dat God Girke daar wilde hebben om door zijn woord, maar vooral door zijn voorbeeld, behulpzaam te zijn bij de vorming van de jonge Colombianen. Op 21 januari 1929 legde Girke zijn eerste geloften af en begon hij zijn scholastikaat, waar hij met dezelfde ijver en toeleg voortging.

De eerste Nederlandse montfortaan die onder het mandaat van Richard uitgezonden werd naar Vaupes, was Jozef Keijsers. In 1919 vertrok hij daarheen en werkte vervolgens tien jaar met hart en ziel in Montfort Papuri. In de loop der jaren vertoonden zich de eerste verschijnselen van tuberculose. Antoon Beijsens uit Oirschot, tot dan toe leraar in Schimmert, zou hem komen aflossen. Na een helse reis vanuit Bogotá over land naar Vaupes kwam Toon meer dood dan levend in Montfort Papuri aan. Daar stierf hij op 6 oktober 1923, 32 jaar oud. Jozef Keijsers moest weer wachten. Geheel afgetobd en uitgeput kon hij begin 1929 eindelijk vertrekken met bestemming Nederland. Op 14 maart kwam hij in het Braziliaanse Manaos bij de Salesianen aan. Na twee weken rust meende hij voldoende opgeknapt te zijn om de reis naar Para-Belem voort te zetten. Hij kwam daar aan op 4 april en werd naar een ziekenhuis gebracht in afwachting van een reisgelegenheid naar Europa. Geen kapitein was echter bereid een passagier met een besmettelijke ziekte mee te nemen. Terwijl hij daar lag te wachten, kwamen twee confraters hem bezoeken: Hubert Limpens, terug van vakantie in Nederland, en een jonge priester, de later zo befaamde missieoverste Alphons Cuijpers. Limpens, die aanvoelde dat hier niet langer gewacht kon worden, stuurde onmiddellijk een telegram naar de familie in Bunde om Jozef in Para-Belem te komen ophalen. Op 21 juni ging een broer scheep in Antwerpen, maar op 25 juni stierf Jozef al. De dag erna ontving de familie een telegram met het treurige nieuws. De broer van Jozef kon op het nippertje in de haven van Lissabon gewaarschuwd worden om maar weer naar huis te komen.    

De missie in de Vaupes kent in de jaren 1931-1936 een aantal tegenslagen die haar dreigen teniet te doen. Om te beginnen werd de post Montfort Papuri in 1931 opgeschrikt door een Braziliaanse grenscommissie, die onaangekondigd de streek kwam verkennen. Klaarblijkelijk wilden ze de bewoners meelokken naar Braziliaans gebied aan de overzijde van de Papuri om daar als werkvolk te dienen. Martin Schreurs zag het onder zijn ogen gebeuren: ‘De leider was vergezeld van een veertigtal blanken, die zich weldra als booswichten ontpopten. Ze organiseerden opnieuw de ouderwetse drinkgelagen die gepaard gingen met allerlei zedeloze uitspattingen, welke zolang een hinderpaal waren geweest voor de kerstening onzer Roodhuiden. Toen de paters er zich tegen verzetten, werden de Indianen tegen hen opgehitst: vele families staken op aanraden van de bende den Papuri over om in de bossen van Brazilië hun dierlijk bestaan te herbeginnen. Noodgedwongen moest een honderdtal kinderen onze school verlaten en met hen meetrekken’.
Deze en andere tegenslagen waren voor de missionarissen aanleiding om naar een gunstiger werkgebied om te zien. Met dat doel ondernamen twee hen een verkenningstocht van vier maanden in de richting van de Guania-rivier  ten noordoosten van het Vaupes gebied. Ze keerden met hoopvolle berichten terug, maar moesten bij thuiskomst vernemen dat de zusters op last van hun moederhuis de missie gingen verlaten, dat de Colombiaanse regering de subsidie had ingetrokken en dat pater Schreurs om medische redenen de missie voorgoed moest verlaten, zodat het aantal missionarissen gedaald was tot drie: Alphons Cuypers, Hubert Limpens (overste) en André Linssen. ‘Deze drie paters, afgezonderd van alle beschaving, overwerkt, omringd door vijandige blanken en wantrouwige roodhuiden, zonden naar hun geestelijke overheid dringende brieven om hulp. Ze wilden de missie niet opgeven, ze zouden blijven zolang ze enigszins konden, maar ze vroegen om tenminste één pater om hen af te lossen, zodat ze om beurt de hoognodige rust konden nemen. Op 15 juli 1934 schreef mgr Guiot, de apostolisch vicaris onder wie de Vaupes ressorteerde, naar generaal overste Huré welke benoemingen deze dacht te geven aan de eerste Colombiaanse paters, die op 8 december 1934 gewijd zouden worden’.
Bij de herinrichting van de provincies op het kapittel van 1931 bleef Colombia-Vaupes rechtstreeks vallen onder het generaal bestuur, dat zodoende verantwoordelijk bleef voor de benoemingen. Vandaar de brief van mgr. Guiot aan algemeen overste Huré. Daarin kwam hij ook te spreken over Girke Goltstein die deel uitmaakte van het groepje aanstaande wijdelingen. Girke zou na zijn wijding een bezoek brengen aan zijn familie in Nederland, die hij ruim vijf jaar niet meer gezien had. De vraag was wat hij daarna moest doen. Uit de correspondentie wordt niet helemaal duidelijk waaraan Guiot dacht. De indruk wordt gegeven dat hij hem graag voor zijn vicariaat wilde behouden, hetzij als leraar in de apostolische school hetzij als priester in een van de parochies. Girke zelf bereidde zich al geruime tijd voor op een leraarschap. Naast mogelijke andere vakken wilde hij graag plant- en dierkunde voor zijn rekening nemen. Hij was al bezig een verzameling op dat gebied aan te leggen.
Intussen veroorzaakte het vertrek van Martin Schreurs een crisis die zonder dralen opgelost moest worden. Bij algemeen overste Huré kwam Girke naar voren als de enige mogelijkheid. Oorspronkelijk zou Girke eerst naar Colombia teruggaan om van daaruit naar Vaupes te vertrekken, maar Père Huré antwoordde dat hij niet inzag waarom hij via Colombia daarheen zou gaan. De missionarissen in Vaupes konden het niet langer volhouden. Pater Schreurs, die net wegens ziekte teruggekomen was, mocht niet meer terug en er was niemand anders die zijn plaats kon innemen. Zo kreeg Girke op 3 maart 1935 in Bogota, vlak voor zijn reis naar Europa, zijn benoeming voor de verschrikkelijke Vaupes-missie. Hij wist wat men van hem vroeg, maar zoals steeds zegde hij ‘ja!’, zelfs met enthousiasme. Tegen alle verwachtingen in was hij priester geworden, nu nam God opnieuw de maat door de vraag van zijn oversten, of de kleine gehandicapte man missionaris wilde worden in het zwaarste missiegebied van de congregatie. In Nederland keken de confraters en de familie op van die ongewone benoeming en rezen voorzichtige protesten, o.a. aan het adres van het provinciaal bestuur. Dat had echter geen enkele bevoegdheid in deze zaak. Girke viel in deze zaak direct onder het hoofdbestuur. Einde discussie.
    Het werd een moeizame reis, want het moest zo goedkoop mogelijk. Girke leed bij elke klimaatverandering steeds weer hevige hoofdpijnen. Toen hij op 4 april aankwam in de haven van Amsterdam, vond daar een uitbundig weerzien met de familie plaats. Op 21 april, Pasen, droeg hij de plechtige eerste mis op in zijn geboortedorp. Daarna eerst drong het stilaan tot de familie door, dat hun zoon en broer benoemd was voor een van de zwaarste missies die men zich kon indenken. Toen men stappen wilde ondernemen om die beslissing terug te draaien, was het Gerard zelf die zich daartegen verzette. Na maandenlang sjouwen om spullen bij elkaar te krijgen voor de Vaupes, samen tweeënvijftig kisten, vertrok hij op 4 december 1935 uit Antwerpen op de vrachtboot Attica, om geld uit te sparen. Hij en de zijnen zouden elkaar nooit meer zien.
    Na een voor zijn gevoel eindeloze reis kon hij op 6 januari 1936 naar huis schrijven dat hij aangekomen was in Belem, de hoofdstad van de Braziliaanse staat Para, waar in 1929 pater Keijsers gestorven was. Van Belem ging het op 18 januari naar Manaos, waar hij een week later aankwam. Daar wachtte hem een welkomstbrief van zijn missieoverste, pater Limpens, met aanwijzingen voor de verdere reis en een verzoek: ‘Kom gauw: de eenzaamheid begint ons te verwilderen. Breng vooral een grote koffer levensvreugde mee, als het kan’. Op 2 februari 1936 schreef hij aan zijn broer Michel dat hij het gevoel had dat hij als het ware ging scheiden van de wereld. Op 6 februari kreeg hij een eerste koortsaanval; daarna verergerde zijn toestand van dag tot dag. Pas op 15 februari kon hij aan land gaan bij de missiepost San Gabriel van de paters Salesianen. Maandag 17 februari begonnen de laatste aanvallen. IJlend zong hij haast de volledige requiemmis. Na de woorden ‘requiescant in pace’ kwam een grote rust over hem en stierf hij zachtjes in de armen van de Salesiaanse overste. Pas na tien dagen bereikte het bericht de drie overgebleven confraters in de Vaupes missie: ‘We hebben geweend, alle drie, en we schamen ons niet het te zeggen. Zo lang op hem gewacht, zo lang reeds in gedachten met hem bezig geweest, zo lang ons verheugd op zijn komst, en vlak voor onze deur werd hij weggehaald door de Voorzienigheid. Gods wegen zijn wonderbaar en mysterievol. Hij weet wat het beste is voor ons’. Op 20 augustus 1936 schreef pater Limpens: ‘Wij geloven dat Girke inmiddels onze voorspreker geworden is… Hoe hachelijk onze situatie ook was, sinds zijn dood gaat alles veel beter. De zusters die onze missie hadden verlaten zijn teruggekomen. Wij krijgen nu buiten het gouvernement om grotere steun dan vroeger. Zelfs de Indianen draaien stilaan bij. Daarom zullen ook wij trachten om blijmoedig Girke na te volgen en ons totaal te geven ondanks het zware werk van deze missie’.
De montfortanen zullen nog elf jaar in de Vaupes werken. In 1947 wordt de missie, ‘juist als alles goed draait’, verheven tot apostolische prefectuur en toevertrouwd aan de Colombiaanse Missionarissen van Yarumal. De montfortanen vertrekken naar het Vichada gebied in Hoog-Colombia om daar opnieuw te beginnen.

Na de dood van mgr. Pied in 1962 werd Alphons Cuypers in 1963 zijn opvolger in de Vichada met als standplaats de missiestatie Tuparro. Hij zegt daar zelf over: ‘In 1963 werd ik benoemd tot Apostolisch Prefect – dat was een vergissing. Ik heb bij de Nuntius gehuild en ontheffing gevraagd.Het antwoord van de Nuntius was: Obedientia – gehoorzaamheid’. In 1969 mag hij die taak overdragen aan een Colombiaanse confrater. Hij ging toen werken op de post Teresia, totdat een slopende ziekte hem in 1981 dwong naar Nederland terug te keren.
    In deze jaren deed de missie er veel  aan om via de internaten de Indiaanse bevolking op hetzelfde peil te brengen als elders in Colombia. In staties als Nuape en Sta Teresita kregen meer dan 300 jongeren ‘naast een menselijke opvoeding tevens een christelijke’. De regering was daar zeer mee ingenomen. Maar met de verhoging van het levenspleil rees bij de Indiaanse bevolking ook meer en meer de vraag, wie de oorspronkelijke bewoners van de Vichada waren en wie de binnendringers die zich van het land hadden meester gemaakt. Vanuit de internaten begonnen zich spanningen te ontwikkelen, waarbij o.a. de missies verantwoordelijk werden gesteld voor het feit dat ze hun eigen cultuur moesten inleveren voor de christelijke.
    In 1968 bezocht provinciaal Hermans Colombia. De Colombianen spraken met veel achting over de’Hollandse’ pioniers. Toen hij tijdens de jaarlijkse retraite sprak over de kerkelijke situatie in Nederland, kreeg hij van meerdere Colombiaanse confraters als reactie: ’Bij ons gaat dat ook gebeuren’. De geschiedenis zou hen gelijk geven: de Colombiaanse provincie ging een zware tijd tegemoet. Verder schrijft de provinciaal in zijn verslag:

‘Op godsdienstig gebied heeft er een zekere vernieuwing plaats in de geest van Vaticanum II, terwijl men ook respect zal moeten bewaren voor de diep devotionele en volgens ons te uiterlijk devotionele inslag van het volk… Meermalen heb ik in een en hetzelfde kerkgebouw een tiental Mariabeelden geteld naast veel andere heiligenbeelden, waarvoor trouw de kaarsjes en de lichtjes worden ontstoken’.

Op 16 maart 1977 overlijdt te Villavicencio Herman Leistra, een van de pioniers van de Vaupes en de daarop volgende Vichada missie. Tijdens een eucharistieviering te zijner nagedachtenis in de parochiekerk van Mariarade-Hoensbroek gaf mgr. Bruls, die Herman van nabij gekend had een indrukwekkende samenvatting van wat daar verricht werd. Theo Weijnen, zijn grote vriend, hield een rouwdienst in het kerkje van La Pascua, waar Herman een jaar daarvoor publiekelijk uitgejouwd was door misleide schoolkinderen. Theo schreef daarover: ‘Wat hij toen geleden heeft, heeft hem rijp gemaakt voor de dood… Wat een rust, wat een sereniteit om te aanvaarden – zonder bitterheid, zonder haat, zonder ontmoediging – wat in de ogen van de mensen de ineenstorting was van veertig jaren missionaris geploeter. Ik ben er zeker van dat de tranen van diezelfde kinderen bij het vernemen van zijn dood – als er nog iets te verrekenen zou zijn geweest – de vlammen van het vagevuur hebben gedoofd’.
Van 28 november tot 8 december 1977 was er in Choachi een bijeenkomst van de Buitengewone Algemene Raad van de congregatie. Pater generaal had het plan opgevat om die vergadering te laten samenvallen met een bijeenkomst te Villavicencio van de drie montfortaanse congregaties in heel Zuid-Amerika: Colombia, Brazilië, Peru, Argentinië, Ecuador en Haïti. Van de Nederlandse provincie waren daar aanwezig provinciaal Somers, Pee de Waard, Hub Jongen en George Boogmans. Pater Somers bracht bij gelegenheid hiervan een bezoek aan de negen Nederlandse confraters die geïntegreerd waren in de Colombiaanse werkprovincie. Hij schreef later in Pro Nostris over vrome priesters die hun confraters beschuldigen van communisme omdat deze bewust de zijde van de armen kiezen, terwijl de met de armen geëngageerde priesters hun medebroeders verwijten dat zij enkel evangeliseren op traditionele wijze en te weinig doen voor de armen. Op grond van deze spanning was het niet verwonderlijk dat er in de voorbije jaren nogal wat Colombiaanse confraters waren uitgetreden. De provinciaal ontmoette in de prefectuur van de Vichada confraters die zich principieel alleen willen inzetten voor de Indianen. Aan andere daar levende Colombianen, die helemaal niet rijk zijn maar wel een kleine boerderij bezitten, besteden ze geen of weinig aandacht. Verder viel hem op, dat in enkele kleine Indiaanse nederzettingen praktisch nog niemand gedoopt was, terwijl de missionarissen er al jaren werkten. Veel nadruk werd gelegd op bewustwording, op hulp bij kleine landbouw projecten en op onderwijs. Catechese was er vooral verweven met het leven in een christelijke gemeenschap, hoewel de leden van deze gemeenschappen soms nog niet gedoopt waren.    

Op 24 juni 1981 overlijdt pater Leonard Notten te Villavicencio, uitgemergeld door ziekte en ontbering. Op 5 juli, tijdens een gedenkdienst in de parochiekerk van zijn geboorteplaats Ulestraten, herdacht mgr. Bruls zijn confrater en voormalig onderdaan o.a. als bemiddelaar tussen de overheid in de hoofdplaats en de Campesinos, de plattelandsbevolking die vaak te lijden had onder onrechtvaardige maatregelen van de overheid. Bruls nam de gelegenheid te baat om de bevrijdingstheologie aan de kaak te stellen; ‘Ruzie en tweedracht is uit den boze. Bevrijdingstheologie moet men weren zolang als het kan. Ze is geen theologie, omdat ze zich uitsluitend bemoeit met tijdelijke en stoffelijke zaken. Ze brengt ook geen bevrijding, maar leidt tot geweld. En van geweld is de Campesino altijd het slachtoffer’.
    Op 28 juli 1982 overleed te Schinnen mgr. Alphons Cuypers, emeritus apostolisch prefect van Vichada op de leeftijd van 79 jaar. Eerder is al ingegaan op de verdiensten van deze man in het primitieve Vaupes gebied, dat bekend stond als een van de zwaarste missies van de congregatie. Daar heeft hij gewerkt tot van 1928 tot 1949. Vervolgens kreeg hij – samen met enkele confraters – het Vichada gebied toegewezen met als speciale opdracht de Indiaanse bevolking. Deze zouden via aangepast onderwijs in staat gesteld moeten worden zich te handhaven als minderheid temidden van een snel groeiende Colombiaanse bevolking. Daar heeft hij nog eens dertig jaar mogen werken, met de nodige teleurstellingen. Zo had de missie in die tijd en ook later veel te lijden van oppositiegroepen, waaronder de FARC (Fuerzas Americanas Revolucienarias Comunistas). Bijzonder pijnlijk was de tegenstand die de missionarissen begonnen te ondervinden van de Indiaanse bevolking. Theo Weijnen beklaagt zich in 1988 over ‘de Indiaanse bevolkingsgroep die nu, geïnspireerd door allerlei linkse invloeden, met aspiraties komt dat alles wat de missie heeft opgebouwd, zoals akkerbouw en veestapel, van hén is. Niet zelden moeten ook onze varkens en koeien het ontgelden. Sinds mei al minstens zes stuks vee en acht varkens; dat alles in nachtelijke rooftochten. Zelfs in onze missiescholen is er een tendens om de catechismus te vervangen door de studie van de Indiaanse cultuur en godsdienst. Dus zoiets alsof wij teruggingen naar Wodan en Thor!’
Mgr. Bruls, die stierf op 7 september 1988, had vanaf zijn priesterwijding in 1924 in Colombia, dat zijn tweede vaderland werd, gewerkt. Twee jaar was hij kapelaan van de kathedraal van Villavicencio. De jaren tot aan zijn bisschopswijding in 1939 bracht hij door in de beginnende opleidingshuizen van de montfortanen: leraar aan het kleinseminarie, novicemeester, docent filosofie, moraal en dogma, overste van het scholastikaat. Als bisschop was hij ook provinciaal overste. In maart 1940 nam hij het bestuur over van het Apostolisch Vicariaat van Llanos de San Martin, dat later wordt verheven tot bisdom onder de naam Villavicencio.

Vanaf 1930 was er een en al onrust in het land en strijd tussen de politieke partijen onderling. Toen Bruls het bestuur van het bisdom overnam, was de moordlust wel geluwd, maar niet gedoofd. Mensen aan wie hij op zijn pastorale reizen de Blijde Boodschap verkondigde, bleken later op beestachtige wijze te zijn omgebracht. Ook een van zijn priesters werd vermoord, toen zijn missie werd geplunderd en in brand gestoken. De overwinning van de liberalen in 1950 leidde tot nieuwe bloedbaden, die werden beantwoord door even bloedige wreedheden.
Pax Christi en Justitia et Pax Nederland bezochten eind november 1988 Colombia, dat van alle landen in Latijns-Amerika het hoogst scoort qua politiek geweld. Moord, marteling en het laten verdwijnen zijn er aan de orde van de dag. De slachtoffers vallen vooral in de linkse politieke partijen, de vakbewegingen en de sociale bewegingen. De kleine elite die van oudsher de macht in handen heeft, duldt geen verandering. De verantwoordelijkheid voor deze schendingen van de Rechten van de Mens ligt voor het grootste deel bij het leger, de politie en de paramilitaire eenheden, soms opgericht door drugshandelaren, soms nauw verbonden met legereenheden. In drie jaar tijd zijn enkele tienduizenden mensen door politiek geweld omgekomen. De moordenaars uit politie en leger zijn bijna nooit gestraft. De kerkelijke leiding is tot nog toe erg terughoudend in het protest tegen de schendingen van de Rechten van de Mens. Waarschijnlijk vreest men het internationale communisme in de kaart te spelen. Een ander deel van de kerk, vooral te vinden in basisgemeenschappen en in religieuze ordes en congregaties, wil de weg inslaan van radicale hervormingen. Zij pleit voor een nieuwe politiek, opgebouwd en gedragen door het volk en voor landhervormingen.