Lettergrootte   A A A

Columbia

missie in de Vaupéz

vooraf
Mijn herinneringen gaan terug tot juni 1928. De massa zal er niet in geïnteresseerd zijn, maar ik schrijf ze op voor vrienden en bekenden. Het zijn mijn herinneringen na meer dan vijftig jaar missiearbeid. Ik ben nooit een schrijver geweest, vooral omdat ik er nooit tijd voor gehad heb. Bijna doorlopend ben je alleen op je missiepost, waardoor je tot over je oren in het werk zit. ‘s Avonds was ik blij, als ik - doodmoe - in mijn hangmat kon vallen.
Trouwens, ik vraag me in alle oprechtheid af, wie op mijn verhalen zit te wachten? Wie in mijn jachtige, zakelijke geboorteland is geïnteresseerd in die simpele ziel, die het nodig vond om honderden kilometers van de bewoonde wereld midden in het oerwoud missionaris te zijn. Heel vroeger misschien, maar nu, in 1980?
Daarom was ik eigenlijk aangenaam verrast toen me vanuit Nederland én vanuit Columbia werd gevraagd mijn herinneringen op papier te zetten. Herinneringen aan mijn
eerste missie in het Vaupés-gebied, genoemd naar de Vaupés-rivier.

Pater Alfons Cuijpers
(kerstmis 1980)


mijn benoeming
Eind juni 1928 liet pater Eymaal, toen overste van het scholastikaat in Oirschot, mij op zijn kamer roepen om me mijn benoeming mee te delen. Het kwam er allemaal niet zo vlot uit. Hij manoeuvreerde er omheen. Snel was me duidelijk, dat hij het woord Vaupés maar moeizaam kwijt kon aan die onervaren vijfentwintig-jarige. Kort van te voren kwam het bericht immers van het overlijden van pater Beysens, die enkele dagen overleed na zijn eerste aankomst. Over pater Beysens uit Bunde kwamen berichten binnen van een ernstige ziekte. Pater Kok had de missie verlaten en die stond bekend als de grote, onvermoeibare pionier. In één woord: de Vaupés stond bekend als de zwaarste missie.

‘Je bent benoemd voor de missie’, zei pater Eymaal, maar welke? Mijn nieuwsgierigheid steeg ten top en eindelijk: de missie in Columbia! Maar... de montfortanen hadden in Columbia twee missies: de boven- en de beneden-missie, zoals wij die toen noemden. Een missie in het ‘beschaafde’ gedeelte en een missie in de oerwouden, onder de Indianen - de Vaupés.  Pater Eymaal was zichtbaar opgelucht, toen ik hem zei, dat ik steeds verlangd had naar oerwouden, naar Indianen. Er viel hem een pak van zijn hart en ik verliet in mijn nopjes zijn kamer.
Tinus Pieters zaliger stond buiten te wachten met grote vragende ogen. Triomfantelijk riep ik: ‘Vaupés’. Tinus begon te huilen als een kind. Hij was tot professor benoemd van de septième, ondanks zijn verlangen naar Columbia. Later kwam hij er tóch terecht.

Kort na mijn benoeming moest ik naar Schinnen voor de eerste plechtige Heilige mis. Om de feeststemming niet te bederven, meldde ik thuis mijn benoeming niet, want mijn moeder had grote schrik voor die Vaupés-missie. Ze wist er alles van.... uit mijn enthousiaste verhalen natuurlijk! Dit stilzwijgen kostte moeite! Ik kon het van de daken schreeuwen. Trots als een pauw stapte de Vaupés-ganger met ouders, zus, broers, familie, vrienden en bekenden door zijn geboortegebied. Als 77-jarige besef ik nu nog wat ik toen als 25-jarige doormaakte.

mijn eerste reis naar ‘de missie’
Pater Hub Limpens uit Vaals - Vaupés-missionaris - was op vakantie en nam me mee op de terugreis. Van ‘vliegen’ was natuurlijk nog geen sprake. Via Liverpool vertrokken we met een Engels schip de oceaan over tot Pernambuco in Brazilië.
Ik doe die reis nu in enkele simpele zinnen af. Zo wás het natuurlijk niet. Stelt u zich nu maar even voor, een eenvoudige Limburgse jongen van vijfentwintig jaar, die tot dan óf in Schinnen óf in een klooster zijn hele leven heeft doorgebracht, steekt in 1928 de oceaan over, komt even op verhaal in Pernambuco, bereikt de monding van de Amazone, terwijl hij de Rijn, de Maas en de Waal alleen van de landkaart en de Geleenbeek in zijn geboortedorp écht kent.

Na twee dagen rust reizen we verder met hetzelfde schip langs de kust tot aan de monding van de Amazone-rivier. Weer twee dagen rust. Gelukkig, want hier vernamen we, dat pater Keyser, die doodziek op de terugreis was, in een hospitaal was opgenomen.  Verder reizen was hem door de kapitein van het schip geweigerd, omdat hij een begrafenis op volle zee vermoedde. Wij kregen tijd om hem te gaan bezoeken en vonden een totaal uitgeteerde man. Enkele dagen later was hij dood. “Als ik sterf, weet dan, dat ik mijn leven geef voor de Indianen.”, waren zijn laatste woorden bij het afscheid. Een dag later stoomden wij de Amazone-rivier op. Tot aan de monding van de Rio-Negro, waar het stadje Manáos ligt, midden in het oerwoud. Hier moesten wij een tijdje blijven om inkopen te doen.
De Italiaanse Kapucijnen ontvingen ons met open armen. Nooit ben ik vergeten, hoe, telkens bij het middag- en avondmaal, terwijl wij allen reeds om de tafel geschaard stonden te wachten op pater-overste, hij tenslotte waardig binnenschreed, door het raam naar buiten spuwde, een rommelig kruisteken maakte en onder het zegengebed de hond onder de tafel wegtrapte. Hij was overigens een heel gezellige kerel. Voor het eerst heb ik toen ook met een hangmat kennis gemaakt - er waren geen bedden beschikbaar - en enkele dagen slecht geslapen. Maar... het was een goede oplossing, want de hele verdere reis (nog anderhalve maand) zou ik mijn nachten doorbrengen in het oerwoud. Ik wende tenslotte zodanig aan het ‘hangen’, dat ik het bed voor altijd vaarwel zei en nu al vijftig jaren ‘hangend’ slaap, tot welzijn van mijn oude botten. Een pluimpje voor de uitvinder van de hangmat! Je neemt hem op je rug mee, waar naar toe ook, een klein onbenullig bundeltje - heeft maar twee contactpunten nodig, twee bomen, palen of haken en je brengt lekker een derde deel van je leven erin door. Aangepast aan ieders lichaam. Groot, klein, recht of krom. Ventilatie in optima forma en hygiëne idem.

De inkopen in Manáos zijn gedaan en wij trekken verder de oerwouden in, de Rio-Negro opvarend, nog steeds op Braziliaans gebied. De Indianen-missies van de Rio-Negro zijn toevertrouwd aan de paters salesianen, voor het merendeel Italianen. Een van hen stelde een gedeelte van zijn motorboot ter beschikking en vooruit met de schuit, twee weken lang, bruine bonen en rijst slikkend. Het schoorsteentje van de motor zorgde voor ‘verse’ rooklucht en wij kregen geleidelijk aan een donkere kleur.
De vóór om de boot opgestelde pakken gezouten vis, die stonken als de pest, deden doorlopend het verlangen groeien de ademhaling door de neusgaten stop te zetten. De machinist zat voortdurend met zijn achterwerk op de zak bruine bonen, die wij, aldus geparfumeerd 3 maal daags door het keelgat moesten spoelen met rivierwater. Goddank wist ik toen nog niet, dat de rivier de grote wc van de Indianen is, dus óók geparfumeerd. Later kreeg ik absolute zekerheid. Ik sliep aan de oever van een rivier en ging ‘s morgens mijn tanden poetsen. Precies bij het indompelen van het borsteltje zag ik een hoop kleine visjes aan een voorbijstromend ‘iets’ plukken, dat ik maar liever niet noem. Het was in ieder geval geen tandpasta!

Ondanks alles kwamen wij, gezond en wel, aan de monding van de Vaupés-rivier, waar deze de Rio-Negro instroomt en waar pater Sjirke Goltstein enkele jaren later zou sterven. Precies aan de grens van de Vaupés-missie. Het laatste en zwaarste gedeelte van de drie maanden durende reis bleef hem ‘bespaard, een reis van een maand door de Vaupés-rivier met zijn tientallen watervallen. Ik druk me nu zó uit. Niet juist eigenlijk. Niet helemaal billijk ook. Sjirke, klein maar dapper, vertrok met precies dezelfde idealen als ik.

Op een zandplaat langs de rivier stonden, of liever lagen, zo’n 25 Indianen met een vijftal boten op ons te wachten, allen gestuurd door pater Barón, de toenmalige missie-overste, om de verdere reis mogelijk te maken. Alle belangstelling ging uit naar mijn persoontje: de nieuwe pater. Groeten werden uitgewisseld. Pater Limpens had me op de hoogte gebracht: met je vingertoppen heel even de vingertoppen van de uitgestoken hand aanraken en op hun vraag: Atrati me (ben je gekomen?) antwoorden: Atiape (ja, ik ben gekomen). En zij weer: ozo, ozo, aha, aha: de Indianen van onze stam groeten je! Ozo, groeten me die? Ja, die groeten je, ahá, ahá, ahá! Je moet vroeg opstaan om in één dag zo’n 25 mensen te begroeten.

Kisten en pakken worden uit de motorboot gehaald en over de vijf kano’s verdeeld. In de grootste laten ze een zit-plankje vrij voor ons tweeën. Daar zullen wij het een maand lang mee moeten doen. Roeispanen vervangen de motor en langzaam maar zeker gaan we stroomopwaarts, de eerste waterval tegemoet. Massa’s water zoeken zich vallend en bruisend een weg tussen de rotsblokken en komen pas tot rust wanneer de laatste obstakels overwonnen zijn. Wit-schuimend trekt het water dan een eindje verder, tot dat het één is geworden met de rivier. Kort beneden de waterval leggen we aan en binden we de boten vast. Het uitladen begint, van de eerste tot en met de laatste kist of het laatste pak. Elke kano moet langs een smal pad door het woud worden gesleept en getrokken tot boven de waterval, waar de rivier weer rustig is. Een zwaar touw wordt aan de eerste boot bevestigd en door  25 schreeuwende Indianen verder gesleept. Na de  vijfde ben je de wanhoop nabij. Geen tijd om te wanhopen, want nu komen de kisten aan de beurt. Die moeten één voor één langs datzelfde pad en het waren er 64, meen ik. Dan weer alles inladen en zorgvuldig op zijn plaats zetten.
Intussen ben je rood gestoken door mieren en muggen, die over het oerwoud regeren en je handen en armen nooit rust gunnen. Uren verlopen bij deze operatie, maar tenslotte klinkt dan tóch het bevrijdende ‘instappen’ en vlijen we ons weer op het harde plankje neer. Komt er een regenbui, dan kruipen we onder het palmbladeren dakje, wringen ons tussen de kisten en trachten het uit te houden tot het ergste voorbij is. Krom gelegen zoek je dan weer je plankje.

Vaste etenstijden hebben we niet. Eten doen we bij de een of andere waterval. Dan moeten we immers toch stoppen, maar vooral omdat we dan een mierenvrij plekje vinden op de rotsen. In het oerwoud is geen vierkante meter te vinden, dat vrij is van mieren of ander ongedierte.
Het dagelijkse menu is een brok harde manioc-koek in water gedoopt, vergezeld van een stuk van die zwaar gezouten en stinkende stukken (maar daarom niet bedorven) vis en een kop, in water opgelost, manioc-meel. Honger is de beste saus en ik wende er spoedig aan. Mijn maag heeft nooit geprotesteerd, zelfs nu niet. God zij dank.

Ik begrijp best, dat u zich afvraagt waarom we die pakken stinkende gedroogde vis meesjouwden, met volop verse vis in de Vaupés-rivier. Ja, dat zouden we zeker gedaan hebben, als die verse lekkere vissen zomaar onze boot binnengewipt waren. Maar voor de Indianen zou het heel vervelend geweest zijn, om na een lange dagtaak (van zes tot zes), roeien, boten slepen, in- en uitladen, nog te gaan vissen en koken. En hoe gelovig we ook zijn, een wonderbaarlijke visvangst maken we niet mee... Daarom hadden we in Manáos al bedacht liever stank, zout en smakeloosheid te verduren, dan die arme drommels onnodig zware offers te vragen. Trouwens, wanneer wij het reizen staken omdat het donker wordt, moeten we allen nog naar het kapmes grijpen om een behoorlijk stuk oerwoud vrij te kappen onder de grote hoge bommen, zodat aan alle hangmatten een veilige plaats gegeven kon worden. Er moest ook droog hout worden gezocht voor het nachtvuur en de bomen, waaraan de hangmatten bevestigd werden, moeten worden onderzocht op mierennesten en ongewenste nachtelijke bezoekers in je hangmat.

Tenslotte werd er dan gegeten, waarna het dagelijkse ritueel van de Indianen begint. Om de beurt en om het hardst! Telkens vergezeld van een schaterlach. Een zelf gerolde lange sigaret van zwarte Braziliaanse tabak in krantenpapier (die kleine dunne sigarettenpapiertjes brandden te snel op) doet dienst als nagerecht. Wij krijgen dan de indruk alsof een complete papierfabriek in brand staat. Het moet gezegd, deze avonden in het oerwoud zijn gezellig en ze doen je alle slangen- en tijgergevaar vergeten. Heel vroeg in de morgen steken we van wal, profiterend van de frisse morgenuren, de eerstvolgende waterval tegemoet. Om de beurt lezen we voor vertrek de H. Mis.

Op de vijfde dag van onze kano-reis zien we heel in de verte een bootje ons tegemoet komen. Een geweldig opwindend moment. Wie zou het zijn? We ontwaren veel wit, midden in de boot. Naderbij gekomen blijkt dat vele wit een toog te zijn. De toog van pater Raul Oliviera, een van de drie overgebleven Vaupés-missionarissen. Ook hij gaat de missie voorgoed verlaten: ziek en uitgeput. We zullen bij aankomst in de missie nog maar twee ‘overlevenden’ treffen: paters Barón en Tinus Schreurs op de missiepost Montfort-Papury. Twee missionarissen voor 4x Nederland!
Maar, vooruit met de schuit, niet getreurd of gezeurd, twee plus twee is vier. Spoedig zal ons aantal verdubbeld zijn. We krijgen haast, raken helemaal opgewonden, maar die watervallen trekken zich van onze haast niets aan. Ze storten zich met bulderend geraas omlaag.

Na een maand lang varen, slepen, trekken, in- en uitladen zien we eindelijk in de verte Montfort-Papury schitteren, langs de oever van de rivier in het zonlicht. Gewitte lemen muren tegen een zwart-groene achtergrond: het oerwoud.  We zijn er en voelen ons springleverd: omnes gentes, placedite manibus! Dát was het moment om het ‘klapt in de handen’ van pater Clemens te zingen! Toen ik mijn eerste H. Mis in Schinnen opdroeg, klonk het prachtig, feestelijk. Wat een moment daar in de dorpskerk, samen met mijn ouders, familie, vrienden en bekenden. Maar hier! Ik heb er geen woorden voor. Dit gevoel moet de bergbeklimmer bekruipen, wanneer hij de vlag op de top van de Mount Everest plant.