Lettergrootte   A A A

Denemarken

de missie in Denemarken

In 1892 verhief Leo XIII Denemarken tot apostolisch vicariaat. Mgr. Johannes von Euch werd aangesteld als bisschop. Deze Duitse seculier had als kapelaan, pastoor en apostolisch prefect tweeëndertig jaren de tijd gehad om zich in te leven in de mentaliteit van de Denen, die uitgesproken antikatholiek waren. Weliswaar hadden de Sint-Joseph Zusters van Chambéry vanaf hun komst in 1856 aan wijkverpleging gedaan in de achterbuurten van de hoofdstad en hadden de Jezuïeten met hun uitstekende scholen een goede reputatie, maar de achterdocht en de tegenstand bleven, vooral onder de lutherse geestelijkheid.
    De bisschop had de indruk dat de zusters en de Jezuïeten op het goede spoor zaten, al werden weinig lutheranen katholiek. Ze waren alleen met te weinig. De kerk moest overal openbare instellingen in het leven roepen, die op zich niets te maken hadden met godsdienst, maar waarvan de regering en de mensen het maatschappelijke nut konden inzien. Via openbaar onderwijs en ziekenverpleging voor iedereen kwamen ze inderdaad in aanraking met bredere lagen van de bevolking. Via de kinderen met hun ouders, via de zieken met hun families. Langs deze moeizame weg hoopten ze, met Gods hulp, de mensen tot nadenken te brengen en misschien zelfs voor sommigen het pad naar kerk en pastorie te effenen. Dit plan sprak de apostolische prefect zozeer aan, dat hij in 1888 de hulp inriep van de broeders maristen. Vier jaar later, als bisschop, zette hij de poorten van zijn bisdom wijd open voor alle religieuzen die bereid waren om, naast de zielzorg, openbare instellingen op te richten. Binnen dertig jaar, nog vóór de dood van de bisschop in 1922, had het bisdom Kopenhagen de hoogste concentratie kloosterlingen van de hele wereld, in verhouding tot het aantal katholieken. Samen met de al genoemde zusters van Sint-Joseph en de jezuïeten waren er zestien ordes en congregaties, waaronder de montfortanen en de Dochters der Wijsheid.
Op 31 januari 1901 had overste Maurille mgr. von Euch schriftelijk de diensten van zijn beide congregaties aangeboden. De bisschop vroeg onmiddellijk verlof in Rome en binnen tien weken was de overeenkomst kerkwettelijk geregeld. In zijn antwoord, gedateerd 20 februari 1901, zei de bisschop dat de brief van de generaal voor hem een zeer aangename verrassing was geweest. Drie paters zouden voorlopig voldoende zijn; een van hen moest Fransman zijn, de twee anderen mochten met alle genoegen Nederlanders zijn. Verder liet hij weten dat hij de montfortanen een gebied op het eiland Seeland wilde toevertrouwen rond de oude bisschopsstad Roskilde, dertig km ten westen van Kopenhagen. De keuze van het idyllische, historische Roskilde als hoofdzetel voor de montfortanen was een duidelijk blijk van bisschoppelijke hoogachting en vertrouwen. Op 9 maart antwoordde het hoofdbestuur dat men het aanbod van de bisschop aanvaardde en hulp zou sturen. Pater Maurille had het toen echter veel te druk met Nyasaland, zijn lievelingsproject. Hij verontschuldigde zich en zond de overste van Schimmert, pater Dubillot. De kennismaking verliep naar beider genoegen en op de avond van 7 juni 1901 kwamen pater Alfons Kerckhoffs, pater Blois en broeder Bonifatius in Roskilde aan. Bijna twee weken waren ze in Kopenhagen bij bisschop von Euch te gast. Op 6 juni vertrokken ze naar Roskilde en namen er hun intrek in ongemeubileerde kamers.
Hun eerste en voornaamste taak was Deens te leren. Alles was zo snel gegaan dat ze daar nauwelijks aan toe waren gekomen. In september was de missieoverste Kerckhoffs zo ver dat hij zijn eerste Deense preek kon houden. Een katholieke man had die overigens voor hem geschreven. Spoedig kwam er versterking in de persoon van de paters Martin Meulenberg en Jos Knapen. De bedoeling was dat zij na enige tijd in Ringsted en Slagelse zouden gaan werken, maar voorlopig bleven ze in Roskilde. Omdat het huurhuis te klein was en er nog meer paters zouden komen, kocht men een oude boerderij buiten de stad, die onder de naam Marie-höj als hoofdvestiging van de montfortanen in Denemarken zou dienen.
Voor de bouw van een kapel was voorlopig geen geld. Men knapte daarom een van de stallen op, timmerde een houten altaar en zorgde voor een klein harmonium. Broeder Bonifatius maakte een wierookvat door een blikken bloempot van kettingen te voorzien. In die tijd werkten er veel Poolse seizoensarbeiders op de herenboerderijen in de omtrek. Trouwe kerkbezoekers als ze waren, werd de noodkapel al gauw te klein. Financiële steun kwam van de grafelijke familie Holstein-Ledreborg die een slot bewoonde niet ver van Roskilde, en van mgr. von Euch, maar het grootste deel van de bouwsom werd toch bij elkaar gebracht door pater Kerckhoffs tijdens bedeltochten in Nederland. Na zijn terugkomst werd onmiddellijk met het werk begonnen. De bouwvallige zuidvleugel van de boerderij werd afgebroken om plaats te maken voor een kapel voor 120 personen. De inwijding had plaats op 13 juli 1904 door mgr. von Euch. Patroonheilige van kapel en parochie werd de heilige Laurentius met verwijzing naar de voorreformatorische Laurentiuskerk in Roskilde, waarvan alleen de toren nog bestond.
Kort nadat bekend was geworden dat zich katholieke geestelijken, die zich nota bene als ‘missionarissen’ afficheerden, in Roskilde gevestigd hadden, begon de Lutherse geestelijkheid van de stad een jarenlange reeks felle aanvallen in de vorm van lezersbrieven in de plaatselijke kranten. Deze campagne was van een felheid die vandaag de dag nauwelijks voorstelbaar is. Men had het er vooral over, dat de katholieken overal op de meest sluwe manieren probeerden binnen te dringen via het oprichten van openbare instellingen als ziekenhuizen en scholen. Overigens pareerde pater Kerckhoffs deze aanvallen, één voor één, kalm en deskundig. Op het hoogtepunt van de strijd arriveerden de Dochters der Wijsheid.

In Denemarken werken bij het begin van het mandaat Lhoumeau zes paters en een broeder. Ze zijn verbonden aan Roskilde, o.a. om zich daar de Deense taal eigen te maken. Met uitzondering van François Blois en Jos Knapen, die in Slagelse wonen. In augustus 1903 vestigen zich ook de Dochters der Wijsheid in Roskilde, waar zij een ziekenhuis openen dat zich een uitstekende naam wist te verwerven. In de loop der jaren komt daar nog een goed lopende school bij. De aanwezigheid van zusters en paters in Roskilde maakt de omgeving meer en meer opmerkzaam op het katholieke verleden van de stad, waarvan nog overal overblijfselen te zien zijn in gebouwen en monumenten. Pater Kerckhoffs is de eerste katholieke pastoor sinds Roskilde bij monde van de pas benoemde bisschop Peter Palladius in 1536 het katholieke geloof had afgezworen.
De katholieke parochie ontwikkelt zich redelijk voorspoedig. Niet dat er veel toetredingen tot de kerk plaatsvinden, maar er melden zich regelmatig vreemdelingen van katholieke huize, met name talrijke Poolse seizoensarbeiders. Een novum dat vanaf 1908 veel aandacht trekt, is de jaarlijkse processie met het Heilig Sacrament op de tweede zondag na Pinksteren. Met dat initiatief put missieoverste Kerckhoffs uit een rijke traditie van zijn geboortestreek, waar de jaarlijkse sacramentsprocessie een groots gebeuren placht te zijn. In Roskilde gaat het niet anders. Van jaar tot jaar neemt de plechtigheid in omvang toe; vrijwel alle katholieken van Seeland nemen er deel aan. Het vergt telkens een grote inspanning van de kant van paters, broeders en zusters, maar daar staat de vreugde van alle deelnemers tegenover.
In 1910 komt Johannes Quaedvlieg als pas gewijde priester naar Roskilde. Er waren plannen voor een nieuwe kerk, de Sankt Laurentii Kirke, ontworpen door de Nederlandse architect van Gils. De kerk is in 1914 geconsacreerd en gold lange tijd als een van de grootste en mooiste katholieke kerken in Denemarken. In 1916 komt ook de begaafde jonge priester Maria Peter Paul Roderburg naar Roskilde. Hij overlijdt er in 1918 aan de Spaanse griep.
In 1919, tegen het einde van het mandaat Lhoumeau, werken in Denemarken acht paters en twee broeders. Tijdens dat mandaat overlijden er drie: Frits Houben (1908), Jos Knapen (1913) en Peter Roderburg (1918). Houben uit Munstergeleen was de stichter en eerste rector van Ringsted, waar hij een kleine kapel bouwde en in volslagen eenzaamheid leefde. Zijn kudde bestond uit een katholieke familie. Trouw hield hij de diensten en verkondigde hij het Woord, maar nooit heeft hij de troost mogen smaken het aantal gelovigen te zien toenemen. Na drie jaren Ringsted dwong ziekte hem naar Nederland terug te keren, waar hij overleed op 16 juli 1908. Wonderlijk genoeg kreeg deze ‘icoon van eenzaamheid’, zoals iemand hem typeerde, de drukste montfortaanse uitvaart in jaren. Ze vond namelijk plaats daags na het groots gevierde zilveren jubileum van Ste Marie, toen nog vele gasten van heinde en verre aanwezig waren, waaronder de scholastieken van Oirschot. Celebrant was pater Kerckhoffs, de missieoverste. Niemand was zo geschikt als hij om de tragedie van dat totaal eenzame leven onder woorden te brengen.
Jos Knapen, een kleine kordate man, vertrok naar Denemarken in 1901, het jaar van zijn priesterwijding. Nadat hij zich enkele maanden in Roskilde in het Deens had bekwaamd, kreeg hij als opdracht zich in te zetten voor de talrijke Polen. Zijn standplaats was Slagelse, waar François Blois pastoor was. Dit stadje op 65 km van Roskilde was gunstig gelegen voor de Poolse arbeiders van West-Seeland. Rond 600 van hen kwamen er zondags naar de mis. In 1910 kwam er hulp in de persoon van broeder Jan Berchmans (Hubert Gielen). In 1912 ging Blois terug naar Frankrijk; Knapen nam diens pastoorschap over. Als hulp kreeg hij Jozef Brouwers, oud-missionaris in Haïti en Malawi, die om gezondheidsredenen naar Europa was teruggekeerd. Hij heeft Knapen nauwelijks een jaar meegemaakt, want die overleed op 31 maart 1913 te Maribo tijdens een poging om een paar Polen te helpen die het land niet in mochten, omdat hun papieren niet in orde waren. Zijn uitvaart in Maribo werd druk bezocht door protestant en katholiek, want Knapen had niet alleen onschatbare diensten bewezen aan de Poolse gastarbeiders, maar ook aan de protestantse herenboeren, bij wie de Polen werkten.

In 1920 komen twee nieuwe paters naar Denemarken. Henri Cortenraad  had vanaf 1915 in Reykjavik gewerkt en zou de rest van zijn leven in Denemarken blijven. Michael Parren had vijf jaar in Canada gewerkt, zou vier jaar in Denemarken doorbrengen om in 1924 naar IJsland te gaan.
    In 1920 werd mevrouw Gundry katholiek, de moeder van Joseph William Humphrey Gilbert (‘Joep’) Gundry, de latere archivaris van de Nederlandse provincie. Joep werd geboren op 22 augustus 1912 te Aarhus. Zijn vader had de Engelse nationaliteit, zijn moeder was Deense. Joep en zijn enige zus Alice kregen de nationaliteit van hun vader. Hun moeder, een overtuigde Lutheraanse, ging door omstandigheden gedwongen in mei 1920 Franse conversatielessen nemen, eerst bij een oude zuster en vervolgens bij een jezuïet. Die mocht haar op 8 september 1920 in de katholieke kerk opnemen. Alice en Joep volgden in de kerstnacht. Joep was toen 8 jaar oud. In 1927 ging hij naar Schimmert, waar hij werd ingekleed in 1934.
    In november 1921 verlaat pater Kerckhoffs Roskilde om overste te worden van de communiteit op de Heilig Landstichting. Als geen ander heeft hij het beeld van de congregatie in Denemarken bepaald, en geen ander heeft later zijn formaat geëvenaard. Zijn gebildetes Wesen, zijn overtuigde uitstraling en statige verschijning maakten indruk op iedereen, katholiek zowel als protestant, aanhangers zowel als tegenstanders. Het behoorde tot de meest vooraanstaande priesters binnen de toenmalige katholieke kerk in Denemarken.
    Kerckhoffs werd opgevolgd door Jan Hoppers die, aangekomen in 1915, tot 1930 in Roskilde zou werken. In 1922 komt broeder Joseph (Philip Aarts) naar Roskilde, waar hij tot in 1928 zou werken in de huishouding. ‘Flip’ was tegen het einde van zijn studie in Schimmert niet voor verdere priesteropleiding in aanmerking gekomen in verband met een gehoorstoornis waarvan men dacht dat die blijvend zou zijn. Hij verkoos toen in te treden als broeder en werd na zijn noviciaat benoemd voor Schimmert, waar hij in de huishouding werkte. In 1923 komt Stephan Wevers naar Roskilde als kapelaan. In de zes jaren dat hij er werkte, ontwikkelde hij zich tot een bekende spreker en schrijver. Hij ondervond dat zijn opleiding iets miste en vroeg verder te mogen studeren om beter toegerust te zijn voor zijn oecumenische werkzaamheden. Hij werd benoemd voor Nijmegen, waar hij meewerkte op de Heilig Landstichting en Heilige Schrift studeerde.

In 1932 wordt Denemarken van missiecommuniteit tot regio verheven met pater Jan Wijnen als eerste regionaal. Hij had vanaf 1906 in Denemarken gewerkt, achtereenvolgens in Roskilde, Ringsted en Holbaek, waar hij een nieuwe parochie stichtte. Deze buitengewoon hartelijke man verstond uitstekend de kunst bemiddelend op te treden tussen de confraters onderling en tussen missie en overheid. Hij zou regionaal blijven met standplaats Holbaek tot aan zijn dood op 12 december 1941. Tijdens zijn oversteschap wordt een nieuwe parochie gesticht te Taastrup, in de omgeving van Kopenhagen. Vanuit elke parochie werd een omgeving bediend tot 30, 40 of 50 kilometer ver.
    Vanaf 1934 was er elke eerste zondag van de maand een mis te Hillerod, de centrale stad van Noord-Seeland, in een plaatselijk hotel. Later werd er een rectoraat gevestigd, dat overigens geen lang leven beschoren was. Er was weinig belangstelling van de kant van het stadsbestuur. Zo weigerde men een aanbod van de Sagesse om er een ziekenhuis te vestigen. Het jaar 1935 bracht een vrij groot aantal verplaatsingen met zich mee. Zo werd Piet Boerrigter in Kopenhagen rector van het noviciaat van de Zusters van de H. Jozef van Chambéry. Jan Hoppers, kapelaan te Slagelse, werd pastoor in Roskilde. Zijn plaats in Slagelse werd overgenomen door de Utrechtenaar Jan van den Hoek, die zich zou ontwikkelen tot een echte kenner van het Deens en vertaler van liturgische teksten. Pastoor in Slagelse werd Quaedvlieg, die daar al eerder had gewerkt. Van daaruit werd op geregelde tijden de mis gelezen in Kalundborg.
In 1935 legt Joep Gundry zijn eerste geloften af in Meersen, in hetzelfde jaar waarin  Knud Mariboe de congregatie verlaat en priester van het bisdom Kopenhagen wordt. Knud had vanaf zijn priesterwijding in 1928 met veel succes in Roskilde gewerkt, wat tot ongenoegen zou hebben geleid bij de confraters en tot zijn vertrek uit Roskilde in 1932. Hij vertrok toen voor verdere studies naar de Heilig Landstichting, ging in 1933 naar Hafnarfjördur op IJsland en in 1934 naar Holbaek, waar regionale overste Jan Wijnen pastoor was. Tot slot komt er in 1935 ook een nieuweling, Martin Braun die vanaf zijn priesterwijding in 1932 leraar was geweest aan de apostolische school te Verona bij Bergamo. Hij werd nadrukkelijk Deen met de Denen en heeft praktisch tot het einde van zijn leven met hart en ziel voor de kerk van Denemarken gewerkt.

Een confrater die tijdens dit mandaat in Denemarken opvallend op de voorgrond, trad was Jozef Mesters die in 1937 vanuit Roskilde de eerste Lourdesbedevaart organiseerde voor Scandinavische pelgrims. Hij zou, met uitzondering van de oorlogsjaren, meer dan 50 jaar met Scandinaviërs naar Lourdes gaan. Dat was, hoe bescheiden ook, een uitdagende ontwikkeling in een door en door Luthers land, waar publieke Mariaverering – nog wel in de gedaante van een bedevaart - op weinig bijval kon rekenen. Wel had hij voor zijn bedevaarten het fiat gekregen van apostolisch-vicaris Brems, die in 1938 opgevolgd werd door Theodor Suhr, een benedictijn van Deense afkomst. Suhr was als protestant in het buitenland gaan studeren, werd er katholiek en trad in bij de Benedictijnen in Rome. Bij zijn uitverkiezing tot bisschop was hij pas 46 jaar oud en 3 of 4 jaar priester. Mgr. Suhr had, zeker in zijn beginjaren, weinig sympathie voor de montfortanen, met name vanwege hun naar zijn smaak nogal nadrukkelijke Mariaverering. In 1942 verhinderde hij, dat ze een pand kochten in Hilleröd. Hij wilde niet, dat ze nog meer parochies kregen dan de vijf of zes die ze al hadden. Met de jaren werd hij milder. Uiteindelijk was hij zich zelfs bereid om mee te gaan op bedevaart naar Lourdes en in 1949 een officieel bezoek te brengen aan het provincialaat van de montfortanen in Nederland. Maar over Mesters’ mariologie bleef hij kritisch.
De andere confraters deden gewoon hun weinig spectaculair werk. Menigeen viel echter op door zijn toegankelijkheid en vriendelijkheid. Hoezeer dat geapprecieerd werd, bleek als een van hen stierf. Zoals bij de begrafenis van Jan Hoppers in 1939, toen talrijke priesters en gelovigen naar Roskilde kwamen. Of bij de dood van Piet Boerrigter, over wie Thijs van Buggenum schreef:

‘Hij verliet niet graag het stille Zusterklooster als ruil voor de drukke praktijk van een stadsparochie. Zijn diepreligieuze ziel was daar zo gelukkig, dat hij dikwijls zei: “Dit waren de mooiste jaren van mijn leven”. Dag in dag uit werkte hij nu met een nauwkeurigheid, die enig mag genoemd worden. De kloosterregel schrijft voor dat de montfortanen om 10 uur naar bed moeten. Dit was niet gemakkelijk in Denemarken, waar de meeste bezoeken bij een priester ’s avonds worden afgelegd. Het lukte de goede pastoor dan ook niet altijd, maar in Roskilde was ’t als een spreekwoord: “Klokken ti i seng”: Om 10 uur in bed!

En toen Jan Wijnen in 1941 stierf, werd van hem gezegd:

‘Voor alles was hij een buitengewoon hartelijke man en een begenadigd verstaander. Zodoende deed zijn invloed zich ook gelden tot buiten zijn parochie. Hij ging niet af op rang of stand, sprak iedereen aan, en iedereen sprak hem aan, katholiek of niet-katholiek. Op de pastorie waren er geen vaste spreekuren, en ontelbaren zijn zij, die zich dankbaar herinneren, hoe zij bij deze goede herder troost en opbeuring hebben gevonden. Ook mgr. Brems waardeerde hem ten zeerste als raadgever. Ook als Superior Missionis verstond hij uitstekend de kunst om bemiddelend op te treden. Hij wist altijd de goede kanten te ontdekken en te benadrukken’.

De opvolger van Jan Wijnen, Jan Quaedvlieg, pastoor in Slagelse, stond bij de confraters bekend als ‘notaris Quaedvlieg’ vanwege de precisie en omzichtigheid waarmee hij bij elke aankoop van terrein of gebouw te werk ging. Hij bouwde vanuit Slagelse een kerk in Kalundborg. Bij de inwijding in 1937 was de beroemde Noorse schrijfster Sigrid Undset aanwezig. Haar geboortehuis lag niet ver van de kerk.

In 1947 begonnen de pelgrimages naar Lourdes weer, nu in samenwerking met Jean Hupperts en het Leuvens secretariaat. De directe aanleiding was de heiligverklaring van Montfort op 20 juli 1947, die ook in Denemarken in alle vestigingen van de montfortanen en de Dochters der Wijsheid plechtig gevierd werd. Na een paar jaren was pater Mesters al in staat jaarlijks meerdere malen met Scandinavische pelgrims naar Lourdes te gaan. In 1953 kwam er uit Lourdes het voorschrift dat nationale bedevaarten alleen georganiseerd konden worden met bisschoppelijke toestemming. Ofschoon bisschop Suhr niet veel met de montfortanen op had, zeker niet met de manier waarop de paters Quaedvlieg en Mesters de montfortaanse boodschap brachten, stond hij Mesters toch toe ook de nationale bedevaart naar Lourdes te leiden. Zelfs reisde hij verschillende malen mee, zonder daarbij zijn kritiek op de geestelijke oefeningen en predikaties van Mesters onder stoelen of banken te steken.
Dat was nog meer het geval bij de oprichting van het tijdschrift ‘Ave Maria’, dat Mesters als zijn levensdoel zag. In 1951 werd hem bij toeval een gebruikte drukpers aangeboden. Hij kocht ze, en daarmee was het tijdschrift geboren. Hij leerde zelf de druktechniek, zodat hij het blad van A tot Z zelf kon maken. En dat 30 jaar lang; eerst in Holbaek en vanaf 1960 in Kalundborg, nadat een poging om zich in Kopenhagen te vestigen gestuit was op de tegenstand van mgr. Suhr, die Mesters meedeelde dat hij ‘Ave Maria’ zou verbieden als hij kon. De confraters vonden ‘Ave Maria’ oerconservatief; ze waren van mening dat Mesters daarmee het hele montfortaanse werk en hun goede naam beschadigde. Dat is mogelijk het geval geweest, maar niemand heeft sinds pater Kerckhoffs zoveel voor de verbreiding van de montfortaanse spiritualiteit gedaan in Denemarken als Mesters, die naast de bedevaarten en het genoemde tijdschrift de geschriften van Montfort heeft vertaald en uitgegeven.

In 1958, aan het einde van zijn mandaat doet missieoverste Quaedvlieg (1942-1959) een beroep op het generalaat om versterking. In 1921 waren in Slagelse twee paters en kwam er één kind op catechismus. Nu heeft pater Meertens, kapelaan in Slagelse, 80 kinderen op catechisatie en staat hij er verder alleen voor in een groot gebied met zeven ziekenhuizen en drie sanatoria die hij geregeld moet bezoeken. Helaas kan het hoofdbestuur Quaedvlieg niet ter wille zijn. Hij wordt opgevolgd door pater Martin Braun (1959-1970).
In 1963 zijn er op een bevolking van 4,5 miljoen 26.000 katholieken, van wie enkele duizenden buitenlanders. Er zijn 38 katholieke parochies, waarvan 11 in Kopenhagen. Per jaar worden ongeveer 150 mensen in de kerk opgenomen. Einde 1960 werkten er in Denemarken 118 priesters, waaronder 31 Denen. De montfortanen zijn er aanwezig met tien paters waarvan twee rustend (Quaedvlieg en Cortenraad) en twee broeders. George Meertens schrijft over hen:

‘Het eigenlijke werk van de paters in Denemarken bestaat in parochiewerk.Vijf van ons zijn officieel pastoor, terwijl de anderen als kapelaan of rector eveneens in een parochie werkzaam zijn. Natuurlijk is het niet de bedoeling ons te beperken tot het kleine aantal gelovigen, maar we willen zo mogelijk ook in contact te komen met andersdenkenden. Dit werk wordt bemoeilijkt door de tamelijk algemene indifferentie op godsdienstig gebied. Een mogelijkheid wordt geboden door de avondscholen. Dat zijn verenigingen die met steun van gemeente en staat, in de loop van de winter (september tot voorjaar, 2 uur per week) allerlei cursussen organiseren voor volwassenen. Ieder vak wordt aangenomen wanneer zich minstens 15 deelnemers melden. In Holbaek en Slagelse is deze kans een paar jaar geleden al aangegrepen met een bijbelcursus en een cursus Christendom. Dit jaar ging het niet door omdat er niet genoeg deelnemers waren, maar we houden wel nog contact met de niet-katholieken die zich opgegeven hadden. Dit jaar is het wel gelukt in Taastrup, waar pater Umans 17 deelnemers had voor zijn bijbelcursus, 13 parochianen en 4 protestanten. Pater Braun heeft het ook geprobeerd, maar hij vond niet genoeg deelnemers. Het gaat maar om kleine getallen en het kost moeite om het gaande te houden. Maar er zijn tekenen die erop wijzen dat er voor de kerk in de toekomst meer perspectief is, zodat  het uithoudingsvermogen van onszelf en van vele van onze voorgangers wel eens beloond zal worden’.

Meertens, pastoor in Slagelse vanaf 1959, was een man vol initiatieven. In 1964 voerde hij het eerste kerkbestuur in van de Deense katholieke kerk. Hij vond dat het godsvolk volwassen genoeg was om rechtstreeks medeverantwoordelijkheid te dragen voor het parochieleven. Vier jaar later werd werden op bisschoppelijk voorschrift in alle katholieke parochies van Denemarken kerkbesturen ingevoerd. Een andere markante persoonlijkheid was Thijs van Buggenum, van 1957 tot 1966 pastoor in Roskilde.Hij werkte eerst 8 jaar in de St. Theresia parochie van Kopenhagen en vervolgens 6 jaar als pastoor en overste in Roskilde. Jan Umans schrijft over hem: ‘Hij had een rotsvast geloof, dat het eeuwige Rijk Gods nu al gevestigd was in de Kerk, die Jezus Christus op aarde gevestigd heeft. Daarom was de Kerk ook het middelpunt in zijn prediking en godsdienstonderricht aan zijn bekeerlingen, waarvan vooral de meer intellectuelen geboeid werden door de gloedvolle liefde en theologische diepte van zijn uiteenzettingen. Een van zijn leerlingen schreef in het Katolsk Ugebled: Als bekeerling ben ik hem alles schuldig. Hij was van het begin af een symbool van de Kerk, het voorbeeld van het levende geloof… Ik meen, dat hij aan ieder afzonderlijk van de parochie dacht, vooral aan de zieken en de afwezigen, als hij de Mis las.’

De montfortanen trekken zich geleidelijk terug tot de parochies Roskilde en Taastrup. Er komt extra werk, als eind augustus 1975 een groep van 101 Vietnamezen in Taastrup komt wonen. De pastoor heeft nu elke zondag zijn kerk vol, want het zijn katholieken op zijn oud-Limburgs. Prachtige mensen, eerlijk, open, goedlachs en ijverig. De meeste van hen spreken Engels. De Vietnamezen hebben een goede invloed op de hele parochie. Er komen diensten met een mix van Latijn, Deens, Engels en Vietnamees. Daarna is er dan een gezamenlijke lunch, waar ook de boeddhisten bij zijn. Er gebeurt weer wat!

Aan de negentig jaar montfortaanse missionaire aanwezigheid in Denemarken kwam op 3 augustus 1993 een einde. In mei 1992 waren de eerste besprekingen al begonnen tussen de bisschop van Denemarken en provinciaal Charles Voncken. Het bestuur van de Nederlandse provincie zag al enige tijd aankomen dat er geen nieuwe montfortanen meer naar Denemarken zouden gaan. Het laatste bolwerk in Roskilde, de Laurentiuskerk, wilde men aan het bisdom  overdragen, opdat het werk voortgang zou kunnen vinden. Op 1 augustus 1993 zou de overdracht plaatsvinden. Op 15 maart van dat jaar had pater Umans in aanwezigheid van zijn familie en zelfs van de Lutherse bisschop van Roskilde zijn 40-jarig priesterfeest gevierd. Op 1 augustus nam Umans afscheid. Velen waren gekomen om hem voor de laatste keer de hand te drukken. Daarna zou hij zich terugtrekken bij de Benedictinessen van Birkerod, ten noorden van Kopenhagen, waar ze erg blij waren weer een inwonende priester te hebben. Het bisdom was blij dat hij zich nog wilde inzetten voor het officialaat, de kerkelijke rechtbank.
    Dinsdag 3 augustus kwamen drie Amerikaanse Conventuelen aan (waarvan één geboren Deen) om de parochie over te nemen. Op woensdag werden de nieuwe bewoners wegwijs gemaakt in hun nieuwe woning. De bejaarde pater Martin Braun (1904), die vrijwel zijn hele priesterleven in Denemarken had doorgebracht en niet naar Nederland terug wilde omdat hij veel vrienden en bekenden had in Denemarken, mocht nog enkele maanden zijn kamer in de pastorie houden om de nieuwe pastoor, indien gewenst de nodige informatie te verschaffen. Daarna werd hij opgenomen in een verpleeghuis, waar hij op 13 maart 1998 overleed.
    Dat was het einde van een missie die, net als de montfortaanse aanwezigheid op IJsland, eigenlijk geen missie was, want de meerderheid van de bevolking was al christen. De verhoudingen waren wat gespannen in het begin, maar langzamerhand werd dat beter en ontstond er over en weer een sfeer van erkenning en zelfs waardering. Dat kwam duidelijk tot uitdrukking tijdens het afscheid van Jan Umans. Dankbaarheid van twee kanten. Symbolischer had het niet gekund.