Omdat het steeds moeilijker werd seculiere priesters te vinden voor het afgelegen eiland, ging apostolisch vicaris Von Euch op zoek naar kloosterlingen. In 1896 waren de de Sint Joseph Zusters van Chambéry vanuit Denemarken naar IJsland gekomen om er een ziekenhuis te beginnen. Zij werden bijgestaan door een seculier, maar, zoals gezegd, werd het steeds moeilijker om een opvolger te vinden. Via pater Kerckhoffs, missieoverste in Denemarken, vroeg Von Euch in 1902 het hoofdbestuur van de montfortanen om twee priesters en een broeder voor IJsland. Père Lhoumeau stemde toe en op 24 november 1903 kwamen Martin Meulenberg en Jan Servaes, samen met broeder Bonifatius (Christiaan Houben) in Reykjavík, in de wijk Landakot, aan. Servaes kreeg bekendheid als heldhaftige apostel van de Franse vissers, zij het ten koste van zijn gezondheid. Meulenberg ontpopte zich als een geboren onderwijzer en bekwaam organisator. Samen met de zusters van Sint Joseph wist hij na vijf jaar zwoegen, bedelen en ploeteren in 1909 een volwaardige school te realiseren naast een volwaardig ziekenhuis.
Dat er drie Nederlandse montfortanen benoemd werden en geen Fransman, had te maken met het feit dat zij op het moment van hun benoeming in Denemarken werkten en het Deens min of meer machtig waren. Deens was toen nog de officiële taal op IJsland en het onderwijs was minstens tot de onafhankelijkheid van IJsland in 1918 in Deense handen. Dat de missionarissen via de school probeerden contact op te bouwen met de bevolking, lag voor de hand. Minder duidelijk is waarom de school op Landakot zo in trek was, tenzij men aanneemt dat zij een bijzondere uitstraling had vanwege de bekwaamheid en ijver van het missiepersoneel. Daarnaast valt op, dat de katholieke aanwezigheid op IJsland nauwelijks tot negatieve reacties geleid heeft, in ieder geval veel minder dan in Denemarken.
In 1909 wordt een nieuwe stap gezet op weg naar de wederinplanting van de Catholica, als Markus F. Gudmundsson, twaalf jaar oud, vanuit zijn geboortestad Reykjavik op studie gaat bij de dan nog ‘Franse paters’ in Schimmert. Geboren op 20 november 1896, werd hij in de Lutherse kerk gedoopt. Op zevenjarige leeftijd werd hij op eigen verzoek katholiek herdoopt. Dat moet in de loop van 1904 geweest zijn, toen de missie nog in een pril stadium verkeerde. Het is niet bekend, of Markus naar school gegaan is op Landakot, maar zijn overgang naar de katholieke kerk wijst in die richting. Hij zal er geregeld heen zijn gegaan om alvast wat Frans te leren en misschien een paar woorden Nederlands. Het is immers niet voorstelbaar, dat men hem zonder voorbereiding zou laten vertrekken. Bovendien gaven de twee paters toen ’s avonds privé-les Frans en Duits voor geïnteresseerden. Ook dat was een manier om contact te maken met de mensen en het leverde nog een beetje inkomen op ook.
In 1910 gaat broeder Bonifatius terug naar Denemarken.Hij wordt in IJsland opgevolgd door broeder Ferdinand (Antoon Reijners), die na zijn intrede eerst vijf jaar had gewerkt in het moederhuis in Saint-Laurent en vervolgens zes jaar in Denemarken. IJsland zou zijn grote liefde worden. Wederkerig zou hijzelf populair worden als de ‘monnik van Landakot’. Hij zou er blijven tot aan zijn dood in 1966.
IJsland kent naast de normale eeuw van 100 jaar ook een ‘grote eeuw’van 120 jaar. In 1910 was de onthoofding van bisschop Jon Arason, de laatste katholieke bisschop van Holar, op 7 november 1550 te Skalholt, 360 jaar geleden. Men wilde die dag niet zonder meer voorbij laten gaan. Er had zich een protestants comité gevormd om op die dag in het katholieke kerkje op Landakot een plechtige mis te laten opdragen te zijner nagedachtenis. Het kerkje werd in al zijn eenvoud stemmig versierd.
‘Bij de ingang van het priesterkoor was een katafalk opgesteld, versierd met de onderscheidingstekenen der bisschoppelijke waardigheid. Rondom zag men palmtakken en lichten. De beroemde koormantel, door paus Paulus III (1534-1549) aan Jon Arason enige jaren voor zijn dood geschonken, lag over het praalbed uitgespreid. Het Gouvernement had ons dien koormantel, tegenwoordig in het museum van Reykjavik berustend, voor deze gelegenheid welwillend ter leen aangeboden’.
Hier rijst de vraag hoe vooraanstaande lutheranen het over hun hart konden krijgen om bij die gelegenheid een katholieke herdenkingsdienst te laten houden. Misschien was ook dat een vrucht van het vertrouwen dat de jonge missie intussen had weten op te bouwen via school en ziekenhuis. In ieder geval lijkt het opnieuw een verschil met Denemarken te bevestigen, waar de houding van de Lutheranen tegenover de katholieke kerk bepaald minder vriendelijk was.
In 1911 vertrekt een tweede IJslandse student naar Schimmert, Johannes Gunnarsson, veertien jaar oud en een zoon van Gunnar Einarsson, de man die de eerste en twintig jaar lang de enige katholiek was geweest op IJsland. Ook van hem weten we niet, of hij naar school is gegaan op Landakot. Hoogstwaarschijnlijk wel, gezien de unieke status van zijn vader. In totaal zijn er zes IJslandse studenten in Schimmert geweest. De laatste, Gunnar Frederiksson, kwam op twaalfjarige leeftijd in september 1933, maar bleef na de zomervakantie van 1934 thuis. Johannes Gunnarsson was een uitstekende leerling met een opvallend gevoel voor talen. Bekend is dat hij vloeiend Limburgs sprak - een perfectie die hij klaarblijkelijk had verworven tijdens de schoolvakanties, die hij gewoonlijk doorbracht bij een of andere Limburgse familie. Op Ste Marie werd alleen Frans gesproken.
In 1913 brengt August Spronck voor het eerst in tien jaar priesterlijke versterking, maar hij zou er niet lang blijven. Gezond en sterk bij zijn aankomst, nog geen vijfentwintig jaar oud, moest hij al in 1915 op ziekteverlof in Meerssen, waar hij tot zijn blijdschap Markus Gudmundsson aantrof als novice. Hij overleed er op 20 juni 1917. Zijn plaats werd ingenomen door Henri Cortenraad, die rechtstreeks van het scholastikaat kwam, maar na vijf jaar voorgoed naar Denemarken zou gaan. IJsland kreeg in die dagen, vergeleken met andere missies van de montfortanen, weinig personeel toegewezen. Dat hing enerzijds samen met de uiterst geringe aanwas van het aantal gelovigen, maar het was ook geen aantrekkelijk missiegebied vanwege de lange winters en de genadeloze eenzaamheid van een post als Stykkishólmur.
Een verheugend feit voor de missie doet zich voor op 15 augustus 1916, als frater Markus Gudmunsson zijn eerste geloften aflegt te Meerssen.Daarna gaat hij naar Oirschot voor zijn verdere studies, maar al spoedig wordt bij hem longtuberculose vastgesteld. In betere tijden zou men hem overgebracht hebben naar het sanatorium van de Dochters der Wijsheid in België, maar vanwege de oorlog is dat niet mogelijk. Hij wordt zo goed en zo kwaad als het kan verpleegd in Oirschot. Daar overlijdt hij op 7 augustus 1918, enkele dagen nadat hij zijn eeuwige geloften had afgelegd. De verslagenheid was groot, want hij zou de tweede IJslandse priester geweest zijn na de Reformatie. Ook voor zijn familie was het een zware slag. Alles bij elkaar was hij in de negen jaar die hij in Nederland had doorgebracht, maar één keer thuis geweest, tijdens de zomervakantie van 1912, halverwege zijn Schimmertse jaren. Op 15 augustus 1918, acht dagen na de dood van Markus, legt Johannes Gunnarsson zijn eerste geloften af in Meerssen en gaat hij voor verdere studies naar Oirschot. Ook voor hem zal het overlijden van Markus een gevoelig verlies geweest zijn.
In 1918 werd IJsland onafhankelijk, al bleef het land in een personele unie verbonden met Denemarken. Pater Meulenberg, houder van een Duits paspoort, was naar verluidt de eerste vreemdeling die het IJslands staatsburgerschap aanvroeg. Dat werd hem vergund in 1921 met algemene toestemming van het Althing, het IJslands parlement. Dat was wederzijds een sympathiek gebaar. Het zou Meulenberg goed van pas komen op zijn weg naar het bisschopsambt.
Na de Eerste Wereldoorlog komt Jozef Dreesens. Na drie jaar les gegeven te hebben in Schimmert, waar hij Johannes Gunnarsson als student had meegemaakt, vertrok hij in december 1918 naar IJsland, waar Landakot nog steeds de enige residentie was. Zodra hij voldoende Deens kende, begon hij les te geven aan de school. Tegelijkertijd legde hij zich toe op het moeilijke IJslands. Hij bleef er acht jaar en ging in 1926 naar Hafnarfjördur, ongeveer vijftien kilometer van Reykjavik, waar in 1924 een ziekenhuis en een kleine kerk tot stand gekomen waren. Zijn parochie bestond uit een tiental Sint Jozef Zusters en een handvol leken.
Op 12 maart 1918 werd de Nederlandse redemptorist Wilhelmus Marinus van Rossum prefect van de Propaganda Fide. Tijdens zijn prefectschap werden 162 nieuwe landstreken onder de Propaganda gebracht en verschenen - mede door hem geïnspireerd - de beroemde documenten van Benedictus XV en Pius XI die de missiebeweging in nieuwe banen leidden. Van Rossum benoemde mgr. Diepen, bisschop van Den Bosch, tot visitator voor Scandinavië. Deze maakte in 1920 een rondreis door die landen, met uitzondering van IJsland en de Färöer eilanden, omdat de zeereis te lang zou duren. Maar IJsland werd daarom nog niet vergeten.