Lettergrootte   A A A

Haïti

De definitieve ommekeer voor de montfortanen in Haïti, na decennia van pech en ellende, begon in 1910, toen de congregatie opnieuw de verantwoordelijkheid voor het bisdom Port-de-Paix kreeg, dat sinds zijn oprichting in 1860 nooit een bisschop gekend had en werd geadministreerd door de bisschop van Cap-Haitien. Ook nu werd niet meteen een bisschop benoemd. Missieoverste Paul Le Bihain werd aangesteld als vicaris-generaal en pastoor van de stad Port-de-Paix. Aan hem viel de uitdaging toe de montfortaanse aanwezigheid in Haïti definitief vorm te geven.
De grootste uitdaging uit die periode was waarschijnlijk de oorlog van 1914-1918, toen een aantal Franse confraters onder de wapens geroepen werden. Van de twaalf paters in de vijf uitgestrekte parochies, die men toen had, moesten er zes vertrekken. Men deed toen een beroep op de Nederlandse provincie om de vrijgekomen plaatsen te vullen. Al eerder, vanaf 1910, waren vijf Nederlandse paters in Haïti aangekomen. Een van hen was Hubert Bovens, die de mislukte montfortaanse vestiging in Liberia achter de rug had en daarna vier jaar in Engelstalig Canada gemissioneerd had. Hij werd in 1910 benoemd voor Haïti, waar hij tot 1919 werkte in de parochie Carrefour. In datzelfde jaar 1910 kwam ook Jozef Schumacher, die tot aan zijn vertrek in 1935 in Saint-Louis-du-Nord zou blijven, de parochie waar vóór hem zijn landgenoten Jozef Brouwers en Henri Pijls hadden gewerkt. De eerste was intussen in 1905 naar Malawi vertrokken en de tweede had een jaar eerder Saint-Louis-du-Nord verruild voor het armoedige Jean-Rabel. In 1911 arriveerde Piet W. Eken, die via een aantal bijdragen in Onze Missionarissen en Missiehuizen verslag van zijn belevenissen deed tot zijn vertrek in 1919. Met hem reisden de Franse pater J.B. Huet en Hendrik Op-Hey uit Horst.
Tijdens de oorlog arriveren er nog vijf: Guillaume Salden (1915), Nicolaas Timmermans in 1916, Theodoor Wilshaus en Jan Bolten in 1917, en Frans Hakvoort in 1918. Salden, een wat mensenschuwe academicus met een Romeinse doctorstitel in pastorale theologie en met een passie voor kerkgeschiedenis, ging voor zes jaar naar de hoofdstad Port-au-Prince als huisgeestelijke aan het Collège Saint Louis de Gonzague; de anderen kwamen in parochies terecht. Timmermans ging naar Anse-à-Foleur, de parochie die het meest verweesd was achtergebleven na het vertrek van de Franse missionarissen. Hij zou er blijven tot het einde van zijn missieloopbaan in 1946. Wilshaus, die drie jaar in het weeshuis te Montfort in Canada voor de klas had gestaan had, zou in Haïti blijven tot aan zijn dood in 1964. Een bijzonder tragisch geval was dat van Jan Bolten. Na het behalen van zijn doctoraat in theologie in Rome in 1916 werd hij benoemd voor Haïti. In afwachting van zijn reisvergunning kwam hij naar Oirschot, waar de jonge pater Jozef Geurts, die ook een benoeming had voor Haïti, hetzelfde probleem had. Eind november 1916 kreeg Bolten een telegram met de opdracht zo vlug mogelijk naar Amsterdam te komen; het telegram voor Geurts ging onderweg helaas verloren, zodat hij eerst in februari 1919 naar Haïti kon gaan. Intussen was Bolten op 8 december 1917 vertrokken en op 2 februari 1918 aangekomen. In Port-de-Paix won hij in vier en een halve maand de tijd aller achting, maar hij stierf in de nacht van 18 op 19 juni als ‘eerste Nederlandse montfortaan wiens gebeente in den schoot der Zwarte Republiek zou rusten’. Frans Hakvoort werd na aankomst kapelaan in Môle-Saint-Nicolas en twee jaar later in Carrefour, een buitenwijk van Port-au-Prince. Hij overleed ten gevolge van een auto-ongeluk op 27 mei 1932.
Na de oorlog arriveerde ook Jozef Geurts. Hij zou bijna vijftig jaar in Haïti werken, eerst twintig jaar in de binnenlanden en daarna vrijwel altijd in Port-au-Prince en in Port-de-Paix, waar hij huisgeestelijke was in de plaatselijke colleges. Zijn dierbaarste herinneringen lagen op het eiland La Tortue, waar hij van 1924 tot 1938 heeft gewerkt. Het ‘Schildpadeiland’ werd beschouwd als een van de moeilijkste posten vanwege zijn grote uitgestrektheid, zijn schaarse bevolking, het ‘lage beschavingspeil’ en de ‘schuwheid’ van de mensen. Geurts doorkruiste het eiland in alle richtingen ‘om de lieden aan te sporen hun kinderen te laten dopen en ook zelf naar de kerk te komen’. Ook bouwde hij er twee scholen en een ’heel aardig heiligdom’. Het moet voor hem een hele overgang geweest zijn van die verlatenheid, waaraan hij desondanks gehecht was, naar het stedelijke pastoraat dat hem de volgende kwart eeuw in beslag zou nemen.

In 1931, bij het begin van het mandaat Huré, zijn er nog zes Nederlanders in Haïti: Pijls, Schumacher, Wilshaus, Timmermans, Geurts en Hakvoort. Dit zal niet lang zo blijven, want in 1932 overlijdt de laatstgenoemde ten gevolge van een auto-ongeluk in de hoofdstad Port-au-Prince, ver van zijn geliefde Carrefour. Priester gewijd in 1916, arriveerde hij in februari 1918, samen met Jan Bolten zaliger gedachtenis, en was tot november 1919 kapelaan te Môle-Saint-Nicolas. Sindsdien werkte hij te Carrefour als kapelaan en vanaf 1931 als pastoor. Zijn overlijden op 27 mei 1932 werd algemeen ervaren als een onherstelbaar verlies. Hij was priester en liturg in hart en nieren. Een getuige zegt over hem:

‘Zo gebeurde het eens gedurende een H. Mis opgedragen door de aartsbisschop, die een pastoraal bezoek bracht aan Carrefour, waar pater Hakvoort nog kapelaan was. De gelovigen zongen het bekende lied Amour à Jésus. Het ging allemaal prachtig totdat de pater de laatste strofe moest zingen: “Geef dat ik de laatste adem mag uitblazen in zachte slaap, en Uw glimlach mag aanschouwen als ik bij U ontwaak”. Deze ontroerende woorden pakten de stembanden van de fijnbesnaarde priester zozeer aan, dat hij slechts met horten en stoten verder kon zingen. De aartsbisschop, die juist aan de H. Communie was, hield even op en keerde zich om in de veronderstelling dat de pater plotseling ongesteld was geworden. Maar er was niets aan de hand. De koorleider pater Hakvoort had zich gewoon laten meeslepen door de vurigheid van de gelovigen en de schoonheid van de woorden’.

Op 18 december 1934 sterft Henri Pijls te Saint-Laurent, op weg naar huis voor revalidatie; hij was volkomen uitgeput. In 1935 vertrekt ook Jozef Schumacher om medische redenen naar Nederland, waar hij in de communiteit van Egmond opgenomen wordt. Daarmee is het aantal leden van de Nederlandse provincie in Haïti teruggebracht tot drie: Wilshaus, Timmermans en Geurts.
Op 21 mei 1935 overlijdt ook mgr. Paul-Marie Le Bihain in Port-au-Prince, 64 jaar oud. Hij was veertig jaar in Haïti geweest. Hij had de tijd meegemaakt tot 1905, toen het missiewerk min of meer stilstond, maar ook de opleving die daarna voorzichtig inzette en die in 1910 een officiële bevestiging mocht ontvangen toen de montfortanen het bisdom Port-de-Paix terugkregen. Hij begon vervolgens met de weinige middelen die hij had, het bisdom te reorganiseren, maar kreeg al gauw te maken met de gevolgen van de oorlog van 1914-1918, toen meer dan de helft van de Franse confraters onder de wapens moesten. Een bijkomende slag was het overlijden van Jan Bolten, zijn jonge secretaris en kerkjurist, kort na diens aankomst in 1918. Een onvergetelijke bekroning van al dat zwoegen was de bisschopswijding in 1929. Tijdens de zeven tot acht jaar die hem nog gegund waren als bisschop, heeft hij kunnen consolideren wat er in de voorafgaande jaren begonnen werd.

In 1936 wordt pater Albert Guiot benoemd tot opvolger van mgr. Le Bihain. Hij wordt tegelijk overste van de vice-provincie Haïti, zoals toen bij veel missionerende ordes en congregaties gebruikelijk was. Het aantal Nederlandse confraters wordt almaar minder. Er zijn er nog drie: Wilshaus en Timmermans in de parochie Anse-á-Foleur en Geurts die op het eenzame eiland La Tortue werkt, maar in 1938 naar de montfortaanse parochie in Port-au-Prince wordt overgeplaatst. In 1946 gaat Timmermans na dertig Haïti rusten in de communiteiten van Leenhof en Oirschot. Hij haalde daar vaak een Haïtiaans gezegde aan over de oude dag: ‘Als een blad zijn tak loslaat en in het water valt, betekent dat nog niet dat het blad naar de bodem zakt eer het avond is’. Daarmee wilde hij zeggen dat hij zijn missionaire loopbaan wel had moeten loslaten, maar rekende op een mooie levensavond. Dat werd deze man met zijn innemende manieren en stralend humeur inderdaad gegund. Hij overleed in 1964.

In 1951 krijgt Haïti de status van regio binnen de Franse provincie. Dit lijkt er op te wijzen dat de missie groeit. Dat lijkt twee jaar later bevestigd te worden, als pater Rémi Augustin  benoemd wordt tot hulpbisschop van Port-au-Prince. Het is de eerste keer dat een Haïtiaan die eer te beurt valt. Augustin was een moedig man, die niet bang was de regering aan te klagen voor de diepe armoede waaronder een groot deel van de bevolking te lijden had. Hij zou dat enige tijd later moeten betalen met uitzetting en verbanning door de Haïtiaanse autoriteiten.

Na het aantreden van pater Heiligers als algemeen Overste volgden voor het eerst sinds lange tijd weer benoemingen vanuit de Nederlandse provincie voor Haïti. De eerste die daarheen zou gaan was Michel Welters, die na zijn  priesterwijding in 1957 een aanvullend jaar gedaan had in Rome. Hij zou eerst veertien jaar in plattelandsparochies werken om in 1972 overgeplaatst te worden naar de hoofdstad Port-au-Prince, waar hij een belangrijke rol ging vervullen in het stedelijke apostolaat. Michel werd in 1959 gevolgd door pater Harry Bemelmans uit Wijlre, die vanaf 1933 in de missie van Congo gewerkt had, maar zich nu bereid verklaarde tijdelijk te gaan helpen in Haïti. De enige vertegenwoordigers van de oude garde die hij nog aantreft zijn de paters Wilshaus en Geurts, die beiden de komende jaren in Haïti zullen overlijden, respectievelijk op 2 september 1964 en op 8 september 1966. George Boogmans is in 1960 de derde nieuwe Nederlandse montfortaan in Haïti. Hij verblijft eerst een jaar in de hoofdstad Port-au-Prince om zich in te werken. Daarna werkt hij drie jaar in Anse-à-Foleur, bekend om zijn St. Anna bedevaart, en gaat dan voor vijf jaar (1964-1969) naar het noviciaat in Port-de-Paix als geestelijk leidsman.
 Mgr. Augustin, aartsbisschop van Port-au-Prince, wordt in 1961 om politieke redenen verbannen door de beruchte Haïtiaanse president Papa Doc. Hij neemt zijn intrek in de jonge apostolische school van de montfortanen in Madrid, van waaruit hij deelneemt aan het Tweede Vaticaanse Concilie. In 1966 keert hij terug als coadjutor van mgr. Guyot in Port-de-Paix. Waarschijnlijk onder voorwaarde dat hij niet zou terugkeren naar Port-au-Prince.


George Boogmans en drie Haïtiaanse zusters van de Sagesse staan hoofdzakelijk ter beschikking van de Haïtiaanse immigranten. Hun aantal was de laatste jaren gaan groeien. In verband daarmee vatte de toenmalige Haïtiaanse provinciaal in 1970 het plan op om van montfortaanse zijde iets voor de Haïtianen in en rond Nassau te gaan doen. George Boogmans werd met medeweten van provinciaal Somers daarvoor benaderd en zei onmiddellijk ‘ja’. Wat hij en de drie zusters doen, is een mengeling van sociaal-maatschappelijk en pastoraal werk. Naast vragen van kerkelijke aard komt men bij hen om werk te vinden, een andere woning of levensmiddelen. Regelmatig hebben George en de zusters contacten met het officiële immigratiebureau en met de Haïtiaanse consul. Zij besteden veel tijd aan alfabetiseringscursussen voor de Haïtianen die dit wensen. De Haïtianen spreken praktisch alleen creools, terwijl de officiële taal op de Bahamas Engels is. Daarbij komt dat ze een wisselende en onstabiele bevolkingsgroep op de Bahamas vormen en geen echte integratie wensen, noch wat taal noch wat gewoonten betreft. Een en ander brengt George wel eens in moeilijkheden. Het feit dat hij de immigranten in een broederschap bijeenbrengt, wekt bij de autoriteiten in Haïti de verdenking dat het om een subversieve groepering gaat. Als George in een preek de mensen aanspoort om niet voor elke futiliteit naar de consul (van Haïti) te gaan, wordt ook dit verkeerd uitgelegd. Hij zou namelijk gezegd hebben dat ze beter niet naar de consul konden gaan. George is er nog tot 1990 gebleven om na een sabbatjaar in de U.S. naar Nederland terug te keren en in Oirschot overste van de communiteit en directeur van het Montfortcentrum te worden.

De montfortaanse provincie Haïti groeit langzaam maar zeker. Bij het begin van het mandaat Lemire telt ze 54 leden: 37 paters, 7 broeders en 10 scholastieken. Op 9 maart 1983 bezoekt Johannes-Paulus II het eiland. Acht Haïtiaanse bisschoppen celebreren met hem en een zestigtal andere bisschoppen, die hadden deelgenomen aan de voltallige vergadering van de CELAM, de bisschoppenconferentie van Latijns Amerika. In zijn homilie vestigt de paus nadrukkelijk de aandacht op de erbarmelijke economische en politieke situatie en roept de kerk van Haïti op zich in te zetten voor recht en gerechtigheid en een rechtvaardiger verdeling van goederen. Het gevolg is dat de spanning tussen kerk en staat alleen maar groter wordt. Ook de montfortanen vormen een notoir doelwit van de staatsterreur. Na afloop van het generaal kapittel van juni-juli 1987 te Nemi kreeg pater Jean-Marie Vincent het advies voorlopig niet naar zijn land terug te gaan. Het was er te gevaarlijk geworden voor hem, omdat hij zich te veel en met veel succes had beziggehouden met het bewust maken van de boerenbevolking in het dorp Jean-Rabel in het noordoosten van het land. Hij gaat toch terug, omdat hij en de twee confraters die bij hem zijn, de situatie niet als zo ernstig beschouwen. Einde juli – dus direct na hun terugkeer – raken zij betrokken bij een incident in datzelfde Jean-Rabel, waarbij 100 tot 300 boeren worden gedood. Daarmee is in feite het doodvonnis van Jean-Marie Vincent getekend, al zou dat nog enkele jaren nemen.
    Op 11 september 1988 werd de kerk van Haïti getroffen door een gebeurtenis zonder precedent. Het kerkgebouw van Johannes Bosco in Port-au-Prince werd in brand gestoken na een bloedbad onder de aanwezigen, waarbij 13 doden en 80 gewonden vielen. Datzelfde jaar verlaat Michel Welters het land waar hij zestien jaar gewerkt had. De Duitse confrater Ferdi Philippi, werkzaam in Haïti als missionaris en noodarts vanaf 1965, houdt moedig stand in Jean-Rabel, waarheen hij in 1987 verhuisd was. George Boogmans is in die dagen missieoverste in Nassau op de Bahama’s, waar hij zich het lot aantrok van de talloze vluchtelingen uit Haïti, waarvan er velen de overtocht probeerden te maken naar het veilige Amerika. De 39 Haïtiaanse montfortanen op Haïti zelf werden toen voortdurend bijgestaan door 7 confraters van de Canadese, 15 van de Franse provincie en door Ferdi Philippi. De aanwezigheid van de laatsten betekende een kostbare morele en politieke steun voor de Haïtiaanse groep.

Op de avond van 28 augustus 1994, na een bezoek aan zijn zus, werd de Haitiaanse confrater Jean-Marie Vincent voor het provincialaat in Port-au-Prince doodgeschoten door gewapende mannen die hem opwachtten. Het onvermijdelijke was toch gebeurd. Hij was 48 jaar oud, en een van hen die dicht stonden bij de verbannen president Jean Bertrand Aristide. De katholieke kerk in Haïti was op dat moment erg verdeeld in voor- en tegenstanders van Aristide. Jean-Marie stond dicht bij de verbannen president. Omdat men demonstraties vreesde, werd hij op vrijdag 2 september begraven op de eigen grond van het provincialaat.
Jean-Marie werd geboren op 21 oktober 1945 in Cayes, in het zuidwesten van Haïti. Zijn beide ouders waren onderwijzer. Na zijn middelbare studie op het St. Martialcollege in Port-au-Prince begon hij zijn noviciaat in Lavaud, waar hij op 11 oktober 1965 zijn professie deed. Onmiddellijk daarna ging hij naar Canada filosofie studeren aan de universiteit van Ottawa. In de zomer van 1967 ging het merendeel van de Haïtiaanse scholastieken terug naar Port-au-Prince; daar deed Jean-Marie zijn theologische studie. Op 14 september 1970 legde hij er zijn eeuwige geloften af en op 7 januari 1971 werd hij priester gewijd in Pétionville. Zijn eerste benoeming was kapelaan in Bassin-Bleu (1971-1972); daarna was hij drie jaar kapelaan in de kathedraal van Port-de-Paix (1972-1975). Van 1975 tot 1977 maakte hij deel uit van de montfortaanse missionarissengroep. Vervolgens werd hij verantwoordelijke voor de parochie van Jean-Rabel (1975-1983). Van 1983-1991 werkte hij voor Caritas-Nord (Cap Haïtien). Sindsdien woonde hij in het provincialaat in Port-au-Prince. Als mogelijk slachtoffer van het gewelddadige regime bevond Jean-Marie zich naar eigen zeggen in een ‘overgangssituatie’. Op een gegeven moment vond hij het verstandiger naar het buitenland te gaan. Uiteindelijk voegde hij zich toch weer bij zijn confraters en zijn volk. Het deed hem veel pijn dat hij zijn mond moest houden in een situatie van onrecht en geweld tegenover zijn broeders en zusters.

Bij de begrafenis waren zes bisschoppen aanwezig, de apostolische nuntius, talrijke priesters en religieuzen, leken, de Amerikaanse ambassadeur, de Franse zaakgelastigde, verschillende nationale en internationale delegaties en afgevaardigden van allerlei groeperingen. Diezelfde dag nog zond de Amerikaanse televisie zender in het avondnieuws de begrafenisliturgie uit. De situatie in het land was gespannen. De telefoonverbinding met het buitenland was afgesloten. Maar dat wil niet zeggen, dat zijn dood in het buitenland niet werd opgemerkt. Integendeel. Confraters van alle provincies en regio’s toonden zich geschokt. Was Montfort ook niet ooit bijna door zijn tegenstanders vermoord? Generale overste Considine heeft het in ieder geval zo begrepen. Hij zegt in zijn verslag van die dagen:

‘Hij werd vredig te ruste gelegd in witte misgewaden, met wierook en andere tekens van eerbied, dichtbij de plek waar hij werd vermoord in een hagel van kogels en bloed. Belangstellenden van buiten Haïti werden niet toegelaten. De dag daarop, zaterdag, ging ik bidden bij het graf van Sint-Pieter. Hem, de apostel en martelaar, vroeg ik om onze montfortaanse familie in Haïti te beschermen, en van pater Jean-Marie een rots te maken ter versterking van het geloof van al zijn broeders en zusters in de strijd voor rechtvaardigheid… Duizenden worden er elke dag over heel de wereld gedood; confraters en hun mensen in elk continent lijden daar enorm onder en beleven het als een Pascha voor God. Ook deelde Jean-Marie met ons de broze menselijke conditie en het proces van bekering’.

De dood van Jean-Marie tekent de geschiedenis van de congregatie. Ofschoon in Zuid-Amerika het doden van priesters vaak gebruikt wordt als een middel tot terreur en onderdrukking, was Jean-Marie de eerste priester die in Haïti werd vermoord; de sfeer van geweld en wetteloosheid strekt zich nu uit tot iedereen. Jean-Marie wordt bij de rangen van de martelaren van het Gezelschap van Maria gevoegd. Zijn dood heeft een intense, tastbare solidariteit in gebed en handelen onder de confraters teweeggebracht. Via fax, telefoon en televisie, maar vooral via meeleven en liefde, voelde heel de montfortaanse familie en talloze anderen over heel de wereld zich één met de gemeenschap in Haïti. Zo kreeg nummer 72 van de constituties even heel concreet handen en voeten:

‘Wij vormen in de Kerk een gemeenschap waarin allen broeders van elkaar zijn, waarin allen elkaars lasten dragen. Samen verenigd in Christus, met onze verschillen van oorsprong, cultuur, verwezenlijken wij door ons leven als broeders datgene wat door het Rijk van Christus op aarde al begonnen wordt: eenheid van allen door het geloof in Jezus Christus’.