Lettergrootte   A A A

IJsland

Omdat het steeds moeilijker werd seculiere priesters te vinden voor het afgelegen eiland, ging apostolisch vicaris Von Euch op zoek naar kloosterlingen. In 1896 waren de de Sint Joseph Zusters van Chambéry vanuit Denemarken naar IJsland gekomen om er een ziekenhuis te beginnen. Zij werden bijgestaan door een seculier, maar, zoals gezegd, werd het steeds moeilijker om een opvolger te vinden. Via pater Kerckhoffs, missieoverste in Denemarken, vroeg Von Euch in 1902 het hoofdbestuur van de montfortanen om twee priesters en een broeder voor IJsland. Père Lhoumeau stemde toe en op 24 november 1903 kwamen Martin Meulenberg en Jan Servaes, samen met broeder Bonifatius (Christiaan Houben) in Reykjavík, in de wijk Landakot, aan. Servaes kreeg bekendheid als heldhaftige apostel van de Franse vissers, zij het ten koste van zijn gezondheid. Meulenberg ontpopte zich als een geboren onderwijzer en bekwaam organisator. Samen met de zusters van Sint Joseph wist hij na vijf jaar zwoegen, bedelen en ploeteren in 1909 een volwaardige school te realiseren naast een volwaardig ziekenhuis.
Dat er drie Nederlandse montfortanen benoemd werden en geen Fransman, had te maken met het feit dat zij op het moment van hun benoeming in Denemarken werkten en het Deens min of meer machtig waren. Deens was toen nog de officiële taal op IJsland en het onderwijs was minstens tot de onafhankelijkheid van IJsland in 1918 in Deense handen. Dat de missionarissen via de school probeerden contact op te bouwen met de bevolking, lag voor de hand. Minder duidelijk is waarom de school op Landakot zo in trek was, tenzij men aanneemt dat zij een bijzondere uitstraling had vanwege de bekwaamheid en ijver van het missiepersoneel. Daarnaast valt op, dat de katholieke aanwezigheid op IJsland nauwelijks tot negatieve reacties geleid heeft, in ieder geval veel minder dan in Denemarken.
    In 1909 wordt een nieuwe stap gezet op weg naar de wederinplanting van de Catholica, als Markus F. Gudmundsson, twaalf jaar oud, vanuit zijn geboortestad Reykjavik op studie gaat bij de dan nog ‘Franse paters’ in Schimmert. Geboren op 20 november 1896, werd hij in de Lutherse kerk gedoopt. Op zevenjarige leeftijd werd hij op eigen verzoek katholiek herdoopt. Dat moet in de loop van 1904 geweest zijn, toen de missie nog in een pril stadium verkeerde. Het is niet bekend, of Markus naar school gegaan is op Landakot, maar zijn overgang naar de katholieke kerk wijst in die richting. Hij zal er geregeld heen zijn gegaan om alvast wat Frans te leren en misschien een paar woorden Nederlands. Het is immers niet voorstelbaar, dat men hem zonder voorbereiding zou laten vertrekken. Bovendien gaven de twee paters toen ’s avonds privé-les Frans en Duits voor geïnteresseerden. Ook dat was een manier om contact te maken met de mensen en het leverde nog een beetje inkomen op ook.    

In 1910 gaat broeder Bonifatius terug naar Denemarken.Hij wordt in IJsland opgevolgd door broeder Ferdinand (Antoon Reijners), die na zijn intrede eerst vijf jaar had gewerkt in het moederhuis in Saint-Laurent en vervolgens zes jaar in Denemarken. IJsland zou zijn grote liefde worden. Wederkerig zou hijzelf populair worden als de ‘monnik van Landakot’. Hij zou er blijven tot aan zijn dood in 1966.
IJsland kent naast de normale eeuw van 100 jaar ook een ‘grote eeuw’van 120 jaar. In 1910 was de onthoofding van bisschop Jon Arason, de laatste katholieke bisschop van Holar, op 7 november 1550 te Skalholt, 360 jaar geleden. Men wilde die dag niet zonder meer voorbij laten gaan. Er had zich een protestants comité gevormd om op die dag in het katholieke kerkje op Landakot een plechtige mis te laten opdragen te zijner nagedachtenis. Het kerkje werd in al zijn eenvoud stemmig versierd.

‘Bij de ingang van het priesterkoor was een katafalk opgesteld, versierd met de onderscheidingstekenen der bisschoppelijke waardigheid. Rondom zag men palmtakken en lichten. De beroemde koormantel, door paus Paulus III (1534-1549) aan Jon Arason enige jaren voor zijn dood geschonken, lag over het praalbed uitgespreid. Het Gouvernement had ons dien koormantel, tegenwoordig in het museum van Reykjavik berustend, voor deze gelegenheid welwillend ter leen aangeboden’.

Hier rijst de vraag hoe vooraanstaande lutheranen het over hun hart konden krijgen om bij die gelegenheid een katholieke herdenkingsdienst te laten houden. Misschien was ook dat een vrucht van het vertrouwen dat de jonge missie intussen had weten op te bouwen via school en ziekenhuis. In ieder geval lijkt het opnieuw een verschil met Denemarken te bevestigen, waar de houding van de Lutheranen tegenover de katholieke kerk bepaald minder vriendelijk was.
    In 1911 vertrekt een tweede IJslandse student naar Schimmert, Johannes Gunnarsson, veertien jaar oud en een zoon van Gunnar Einarsson, de man die de eerste en twintig jaar lang de enige katholiek was geweest op IJsland. Ook van hem weten we niet, of hij naar school is gegaan op Landakot. Hoogstwaarschijnlijk wel, gezien de unieke status van zijn vader. In totaal zijn er zes IJslandse studenten in Schimmert geweest. De laatste, Gunnar Frederiksson, kwam op twaalfjarige leeftijd in september 1933, maar bleef na de zomervakantie van 1934 thuis. Johannes Gunnarsson was een uitstekende leerling met een opvallend gevoel voor talen. Bekend is dat hij vloeiend Limburgs sprak - een perfectie die hij klaarblijkelijk had verworven tijdens de schoolvakanties, die hij gewoonlijk doorbracht bij een of andere Limburgse familie. Op Ste Marie werd alleen Frans gesproken.
In 1913 brengt August Spronck voor het eerst in tien jaar priesterlijke versterking, maar hij zou er niet lang blijven. Gezond en sterk bij zijn aankomst, nog geen vijfentwintig jaar oud, moest hij al in 1915 op ziekteverlof in Meerssen, waar hij tot zijn blijdschap Markus Gudmundsson aantrof als novice. Hij overleed er op 20 juni 1917. Zijn plaats werd ingenomen door Henri Cortenraad, die rechtstreeks van het scholastikaat kwam, maar na vijf jaar voorgoed naar Denemarken zou gaan. IJsland kreeg in die dagen, vergeleken met andere missies van de montfortanen, weinig personeel toegewezen. Dat hing enerzijds samen met de uiterst geringe aanwas van het aantal gelovigen, maar het was ook geen aantrekkelijk missiegebied vanwege de lange winters en de genadeloze eenzaamheid van een post als Stykkishólmur.
    Een verheugend feit voor de missie doet zich voor op 15 augustus 1916, als frater Markus Gudmunsson zijn eerste geloften aflegt te Meerssen.Daarna gaat hij naar Oirschot voor zijn verdere studies, maar al spoedig wordt bij hem longtuberculose vastgesteld. In betere tijden zou men hem overgebracht hebben naar het sanatorium van de Dochters der Wijsheid in België, maar vanwege de oorlog is dat niet mogelijk. Hij wordt zo goed en zo kwaad als het kan verpleegd in Oirschot. Daar overlijdt hij op 7 augustus 1918, enkele dagen nadat hij zijn eeuwige geloften had afgelegd. De verslagenheid was groot, want hij zou de tweede IJslandse priester geweest zijn na de Reformatie. Ook voor zijn familie was het een zware slag. Alles bij elkaar was hij in de negen jaar die hij in Nederland had doorgebracht, maar één keer thuis geweest, tijdens de zomervakantie van 1912, halverwege zijn Schimmertse jaren. Op 15 augustus 1918, acht dagen na de dood van Markus, legt Johannes Gunnarsson zijn eerste geloften af in Meerssen en gaat hij voor verdere studies naar Oirschot. Ook voor hem zal het overlijden van Markus een gevoelig verlies geweest zijn.
In 1918 werd IJsland onafhankelijk, al bleef het land in een personele unie verbonden met Denemarken. Pater Meulenberg, houder van een Duits paspoort, was naar verluidt de eerste vreemdeling die het IJslands staatsburgerschap aanvroeg. Dat werd hem vergund in 1921 met algemene toestemming van het Althing, het IJslands parlement. Dat was wederzijds een sympathiek gebaar. Het zou Meulenberg goed van pas komen op zijn weg naar het bisschopsambt.
Na de Eerste Wereldoorlog komt Jozef Dreesens. Na drie jaar les gegeven te hebben in Schimmert, waar hij Johannes Gunnarsson als student had meegemaakt, vertrok hij in december 1918 naar IJsland, waar Landakot nog steeds de enige residentie was. Zodra hij voldoende Deens kende, begon hij les te geven aan de school. Tegelijkertijd legde hij zich toe op het moeilijke IJslands. Hij bleef er acht jaar en ging in 1926 naar Hafnarfjördur, ongeveer vijftien kilometer van Reykjavik, waar in 1924 een ziekenhuis en een kleine kerk tot stand gekomen waren. Zijn parochie bestond uit een tiental Sint Jozef Zusters en een handvol leken.
Op 12 maart 1918 werd de Nederlandse redemptorist Wilhelmus Marinus van Rossum prefect van de Propaganda Fide. Tijdens zijn prefectschap werden 162 nieuwe landstreken onder de Propaganda gebracht en verschenen - mede door hem geïnspireerd - de beroemde documenten van Benedictus XV en Pius XI die de missiebeweging in nieuwe banen leidden. Van Rossum benoemde mgr. Diepen, bisschop van Den Bosch, tot visitator voor Scandinavië. Deze maakte in 1920 een rondreis door die landen, met uitzondering van IJsland en de Färöer eilanden, omdat de zeereis te lang zou duren. Maar IJsland werd daarom nog niet vergeten.

In de jaren twintig van de twintigste eeuw doet zich in de IJslandse missie na een periode van quasi-vergetelheid een reeks gebeurtenissen voor, die haar stap na stap grotere bekendheid gaan geven. Het begint overigens slecht, want in 1921 moet pater Servaes de missie verlaten wegens ziekte. Hij is de man die zich zestien jaar lang, zomer na zomer, opgeofferd heeft voor de Franse vissers langs de IJslandse kust. Zijn vertrek werd datzelfde jaar nog gecompenseerd door de komst van Gerard Boots, die al vier jaar Denemarken achter de rug had, uitstekend Deens sprak en zich zou ontwikkelen tot een kenner van het IJslands. Hij zal meer dan vijftig jaar in het land werkzaam zijn, afwisselend op elk van de drie posten.
Op 8 juli 1923 bezoekt kardinaal van Rossum, de prefect van de Propaganda Fide, de Scandinavische landen. Hij wordt met name in IJsland als een koning ontvangen. Nog diezelfde dag verheft hij de missie tot zelfstandige apostolische prefectuur en wordt pater Meulenberg benoemd tot apostolisch prefect. Van Rossum gaf nog in hetzelfde jaar in een brochure hoog op over dat bezoek. Die rondreis van de kardinaal en de benoemingen die eruit volgden, luidden binnen de Nederlandse katholieke pers en missiebeweging een grootschalige Scandinavische bekeringsactie in met een sterk optimistische, zelfs triomfalistische toon. In 1921 werd de Nederlandse zetel van het in 1910 opgerichte ‘Gebedenverbond voor de bekering van Scandinavië’ ondergebracht bij het noviciaat van de montfortanen te Meerssen.
    Een volgend hoogtepunt is op 14 juni 1924 de priesterwijding van Johannes Gunnarsson in Oirschot. Nog datzelfde jaar wordt hij benoemd voor Reykjavik  Als père Richard in 1925 een bezoek aan IJsland brengt, zijn er zes missionarissen werkzaam: mgr. Meulenberg, de paters Boots, Dreesens, Gunnarsson en Parren, en broeder Ferdinand. Wat het kerkelijke leven betreft stond er nog een verrassing aan te komen.
Op 28 februari 1926 riep Pius XI in de encycliek Rerum Ecclesiae een missiebeweging in het leven, die ongekend was sinds de tijden der apostelen. Ook IJsland zou de invloed ervan ondervinden. Op 6 juni 1929 werd de prefectuur namelijk verheven tot vicariaat. Het enthousiasme in de Nederlandse provincie was onvoorstelbaar. Het Gedenkboek van Schimmert beschrijft een en ander in jubelende bewoordingen: ‘Kardinaal van Rossum telegrafeerde: ‘Wij komen tezamen met de bisschoppen Brems en Muller en vijf anderen op 21 juli; de kerkwijding zal plaatsvinden op 23 juli en de bisschopswijding op 25 juli’. Niemand had zo iets durven dromen: kardinaal van Rossum nogmaals naar IJsland, nu met drie bisschoppen, en mgr. Meulenberg een bisschop! De mededeling was overstelpend. Heel Reykjavik deed mee. In de nieuw gewijde kathedraal ontmoetten IJslands regering en de Katholieke Kerk elkaar weer na vier eeuwen van scheiding’.
In dat gedenkwaardige jaar stond de Nederlandse provincie nog twee leden aan IJsland af: broeder Monulphus (Hubert Pieters) en Frans Ubaghs. Dat bracht het aantal montfortanen op acht, waaronder drie broeders. Voor Ubaghs bracht de kennismaking met IJsland echter een grote teleurstelling met zich mee. Jaren later vertrouwde hij een jonge confrater toe, hoe pijnlijk getroffen hij was geweest bij zijn eerste contact met de katholieke gemeenschap van IJsland. Die bleek toen uit nauwelijks zestig mensen te bestaan, terwijl hij op grond van artikelen in Onze Missionarissen dacht dat het er minstens honderden zouden zijn. Dat gegoochel met statistieken om de eigenlijke stand van zaken te verbloemen was een kenmerk van die tijd. Drie jaar later, als Ubaghs verslag over de missie op IJsland doet voor het Gouden Jubileum van Ste Marie laat ook hij de trompetten schallen:

‘Binnenkort wordt het hospitaal op Landakot aanmerkelijk vergroot: er zal ook een derde missiestatie opgericht worden te Stykkishólmur aan de westkust. De zusters Franciscanessen van Maria denken er een hospitaal te bouwen. Monseigneur koos tot wapenspreuk de echt Montfortaansche leuze ‘Sub tutela Matris’, en inderdaad onder de schutse van Maria bloeit de Missie. Het is hier aller overtuiging dat de twee grote vrienden van IJsland, kardinaal Van Rossum en pater Servaes die beide in 1932 overleden, vurig tot Maria bidden om de bekering van IJsland te verkrijgen; zo is het tenminste verklaarbaar dat in het laatste halfjaar [van 1932] meer dan 40 IJslanders tot de katholieke Kerk zijn toegetreden; ook verliezen we niet uit het oog dat de eerste IJslandse montfortaan, frater Markus Gudmundsson, op 7 augustus 1918 stierf in Oirschot en zijn leven gaf voor de bekering van zijn land’.

Waar hij die ‘meer dan 40 IJslandse bekeerlingen in een half jaar’ vandaan haalde, blijft een mysterie.

De door Frans Ubaghs in het Gedenkboek van Schimmert aangekondigde stichting van Stykkishólmur kwam tot stand in 1935. De werkelijkheid zag er anders uit dan hij wellicht verwachtte:

‘Stykkishólmur was eigenlijk voor de paters die er terecht kwamen, niet veel minder dan een verbanningsoord. Het was een klein vissersplaatsje met ongeveer 700 inwoners, zonder een enkele katholiek, op zeven uur rijden gelegen van Reykjavik. Door slechte weersomstandigheden was het vaak helemaal onbereikbaar. De pater die hier woonde had alleen als taak de dagelijkse mis op te dragen bij de Belgisch-Nederlandse zusters Franciscanessen Missionarissen van Maria. Deze zusters hadden zich onder druk van kardinaal van Rossum in IJsland gevestigd en hadden in dit kustplaatsje op verzoek van de plaatselijke overheid in 1935 een mooi (maar duur) ziekenhuisje gebouwd. Voor hun geestelijke begeleiding hadden ze een priester nodig. Hiermee was de oprichting van de derde IJslandse missiestatie – een voorwaarde gesteld bij de oprichting van het apostolische vicariaat Reykjavik - ‘een feit’ geweest. De pater woonde er alleen, zonder broeder, en kon al blij zijn wanneer hij een paar keer per jaar bezoek kreeg van een confrater. Behalve de eenzaamheid, maakte ook het feit dat er nauwelijks resultaten werden behaald het een moeilijke plek om te werken’.

Uitgerekend Frans Ubaghs werd daar als eerste benoemd, meer dan 200 kilometer van Reykjavik, in the middle of nowhere. Bij zijn uitvaart werd dat speciaal gememoreerd:

‘En toen ineens dat cruciale moment in zijn leven. De toenmalige bisschop, mgr. Meulenberg, had zusters bereid gevonden om naar IJsland te komen om daar een ziekenhuis te stichten. De bisschop nam een liniaal en vond op de kaart een klein dorpje, precies in het midden tussen Noord en Zuid. Daar op een uithoek, bijna onbereikbaar in die tijd, werd het ziekenhuis gebouwd. En samen met de zusters werd pater Ubaghs naar die verlaten post gestuurd. De dertien jaar die hij doorgebracht heeft in Stykkishólmur, zijn ongetwijfeld de zwaarste van zijn leven geweest. Het moet pijnlijk voor hem geweest zijn afscheid te moeten nemen van zoveel vrienden en bekenden in Reykjavik. Tijdens al die jaren in Stykkishólmur was er niemand die zich aansloot bij de kerk die hem zo lief was, ondanks het feit dat zijn huisje daar steeds een open huis was, vooral voor kinderen van het dorp. Zij waren hem bijzonder lief. Daarom was het ook dat hij een kinderbijbel in het IJslands vertaalde’.

Knud Mariboe, een Deense montfortaan, komt in 1933 naar Hafnarfjördur, maar keert na een jaar terug naar Denemarken. Zijn plaats wordt ingenomen door Martin Vroomen, voordien verbonden aan de Italiaanse apostolische school in Redona. In 1935 arriveert Eugène Liedekerken, direct na zijn studies in Oirschot. Daarna volgen elf jaren zonder enige benoeming voor IJsland, o.a. vanwege de Tweede Wereldoorlog. Op 28 augustus 1935 werd in Reykjavik met een pontificale hoogmis het nieuwe hospitaal ingezegend, gebouwd door de zusters van St. Jozef.
Op 2 juli 1935 legt de IJslander Eyolfur Kolbeinson uit Reykjavik, 23 jaar oud, zijn eerste geloften af in Meerssen onder de naam broeder Albertus. Hij blijft daar nog een jaar als hulp in de huishouding om vervolgens in diezelfde functie overgeplaatst te worden naar Leuven. Daar treedt hij uit in 1939, keert naar zijn vaderland terug en huwt.

De oorlog is ook voor de missie op IJsland een bewogen tijd, omdat het contact met het moederland ernstig bemoeilijkt wordt. Na 1935 zijn er geen benoemingen meer geweest en er zullen er geen meer komen tot 1946. Net voor het uitbreken van de oorlog overlijdt op 10 februari 1939 Pius XI, de grote missiepaus die zoveel voor IJsland betekend heeft.
Tweeëneenhalf jaar later, op 3 augustus 1941, overlijdt mgr. Meulenberg, 69 jaar. Over de oorzaak van zijn dood zegt het In Memoriam: ‘Jammer eigenlijk dat deze kleine grote man onder zulke tragische omstandigheden kwam te sterven. De oorlog was toen stevig aan de gang en kon alle kanten uit. De discussie gedurende de avondrecreatie was nogal pittig geweest, en iemand zei iets dat bij de bisschop erg beledigend overkwam. Verontwaardigd stormde hij de kamer uit, ging de trap op naar eigen zijn vertrekken, maar stortte halverwege dood neer, geveld door een hartaanval. Ook bisschoppen zijn menselijk. Moge hij rusten in vrede’. Martin Meulenberg was van Duitse afkomst. Misschien had die ‘pittige discussie’ tijdens de oorlog daarmee van doen. Hoe dan ook, het was tragisch dat hij midden in de oorlog overleed, toen contact met de buitenwereld moeilijk was. Naast zijn bestuurlijke taken, die hij kundig en met verve vervulde, had hij ook verdienstelijke publicaties op zijn naam staan. Zo bezorgde hij een boek in het IJslands over het katholicisme, dat waarderend ontvangen werd door de plaatselijke pers. Lang daarvoor had hij de bekende dichter-dominee Mathias Jochumsson weten over te halen om een katholieke zangbundel te vertalen in het IJslands, terwijl hijzelf een bijbehorend katholiek gebedenboek samenstelde.
Toen de oorlog uitbrak werd IJsland om strategische redenen bezet door het Engelse leger. In de loop van 1941 kwamen daar nog Amerikanen en Canadezen bij. De Amerikanen bleven ook na de oorlog, toen er een grote NAVO-basis kwam te Keflavik bij Reykjavik. De soldaten werden een belangrijk werkgebied en bron van financiële steun voor de missie. Op zondag waren er in de kathedraal liefst vier missen voor hen.
    Na de dood van mgr. Meulenberg nam pater Johannes Gunnarsson het bestuur van het vicariaat over tot juni 1942, toen hij naar de Verenigde Staten vertrok, ‘om gezondheidsredenen’. Bescheiden als hij was, hoopte Gunnarsson zo te ontkomen aan zijn wijding tot bisschop; zijn benoeming tot titulair bisschop van Holar was namelijk al een feit sinds 23 februari 1942. Het vicariaat kwam toen onder verantwoordelijkheid van Gerard Boots. Uiteindelijk heeft Gunnarsson zijn benoeming in gehoorzaamheid aanvaard en werd hij op 8 juli 1943 te Washington D.C. tot bisschop gewijd door de apostolische delegaat, mgr. Cicognani. Voor het eerst sinds 1550 was er weer een IJslandse katholieke bisschop. Naar verluidt waren de contacten met de buitenwereld toen zo pover dat de missionarissen dat heugelijke feit moesten vernemen uit een Amerikaanse krant.
    Na de oorlog worden er tegelijkertijd drie paters en één broeder benoemd voor IJsland. De oudste van hen, Jozef Dreesens, had eerder al zeventien jaren in het land doorgebracht, maar mocht na een jaar rust in Nederland, gevolgd door negen jaar zielzorg in Denemarken, weer naar IJsland terug. De twee anderen, Hub Habets en Jozef Hacking, waren beiden in 1945 priester gewijd. De broeder is Henricus (Mathieu Jenniskens), die zijn eerste professie had afgelegd in 1933 en sindsdien in Nederlandse communiteiten had gewerkt. Hij gaat samen met Dreesens, naar Hafnarfjördur om daar de boerderij over te nemen van broeder Joseph, die naar het montfortaanse scholastikaat in het Engelse Church Stretton vertrekt. Officieel gaat hij daar helpen in de huishouding, maar tegelijkertijd hoopt hij een begin te maken met zijn studie filosofie met het oog op zijn eventuele priesterwijding. Het zal hem niet meegevallen zijn, want ‘Flip’ had geen echt studiehoofd. In 1948 gaat hij weer terug naar IJsland, waar mgr. Gunnarsson zijn privaatdocent filosofie wordt. De nieuwelingen Habets en Hacking gaan naar het afgelegen Stykkishólmur om Frans Ubaghs af te lossen, die met vakantie gaat en zich tegelijkertijd op het IJslands gaat toeleggen.
Toen kardinaal van Rossum in 1929 de kathedraal van Reykjavik inwijdde, had hij de wens uitgesproken dat er in IJsland een klooster van een beschouwende orde gevestigd zou worden als blijvende bron van gebed voor ‘dit dichtgevroren volk’. Provinciaal Hupperts, die van 1923 tot 1928 pastoor was geweest in Egmond-aan-Zee, vond zusters van het nabije karmelietessenklooster bereid daarheen te gaan. Het zou echter een kleine tien jaar van bidden en zoeken vergen voordat alles geregeld was. De keuze viel uiteindelijk op Hafnarfjördur. Nauwelijks waren de eerste drie zusters aangekomen, of de Duitse inval van mei 1940 in Nederland isoleerde hen volkomen van hun thuisbasis. Redding kwam een jaar of wat later via een Amerikaanse legeraalmoezenier, die contact wist te leggen met een karmel in Indianapolis. De drie zusters konden vervolgens de overtocht maken met een Amerikaans legerkonvooi. Eenmaal in de Verenigde Staten vonden ze onderdak in de karmel van Boston. Hun overste, zuster Elizabeth, zou daar overlijden, maar de twee anderen keerden in 1945 terug naar IJsland. De officiële stichting van het klooster vond uiteindelijk plaats in 1946. Jozef Dreesens werd er rector en bleef dat tot aan zijn dood in 1954.

Men krijgt de indruk dat elke confrater op IJsland voor zichzelf werkte en dat men weinig naar buiten trad. In dit verband constateerde pater Heiligers, lid van het provinciaal bestuur en visitator, tijdens zijn bezoek in 1948 dat er in de IJslandse missie te weinig leiding werd gegeven. Klaagde men ten tijde van mgr. Meulenberg over diens bemoeizucht, nu deed men dat over het gebrek aan leidinggevende capaciteiten bij mgr. Gunnarsson. Bovendien werd er veel te weinig geleefd volgens de regel van de congregatie. Er moest en zou iets gebeuren, want het aantal katholieken was in 1948 nauwelijks toegenomen in vergelijking met 1923, toen met hooggestemde verwachtingen een apostolische prefectuur ingesteld werd. Wat elders kon, moest volgens de visitator ook in IJsland mogelijk zijn. Er moesten nieuwe staties gesticht worden. Ook moesten de paters regelmatig hun missieproblemen met elkaar bespreken om zo een efficiëntere methode te ontwikkelen. Dan zouden de bekeringen wel volgen.
    Ook moest het uit zijn met activiteiten die volgens het provinciaal bestuur niets met missiewerk van doen hadden. Zo kreeg pater Boots in 1950 het ordeteken van de Académie Française voor de samenstelling van een Frans-IJslands woordenboek met bijbehorende spraakkunst, die in gebruik was op middelbare scholen en inrichtingen voor hoger onderwijs. Enkele maanden later kwam Theo Kaptein, overste van Oirschot, op visitatie. Ook hij verklaarde met nadruk en ongetwijfeld met het oog op mensen als Boots: ‘Ons voornaamste werk is het apostolaat, en we moeten onze tijd niet aan andere zaken besteden, zoals taallessen en de uitgave van profane boeken, ook al zijn die nuttig’. Het provinciaal bestuur vond Boots meer geschikt voor een verlaten oord als Stykkishólmur. Daar, meende men, kon hij naar hartelust studeren en uitgaven voorbereiden. En zo geschiedde. Maar met welk recht liet een provinciaal en diens afgevaardigde zich zo publiekelijk in met het beheer van een bisdom? Hoe kwam dat over bij de plaatselijke ordinarius, mgr. Gunnarsson?
Op zondag 31 mei 1953 werd Philip Aarts, voorheen broeder Joseph, in Oirschot priester gewijd door mgr. Paulussen, bisschop van Liberia. ‘Flip’ was toen zesenvijftig jaar oud en had meer dan dertig jaar als broeder gewerkt in Nederland, Denemarken, IJsland en Engeland. Vervolgens studeerde hij filosofie en begon hij na een tweede noviciaat zijn studie theologie in Oirschot. In 1954 keerde hij als pater Aarts terug.
Werd van oudsher de taak van missieoverste uitgeoefend door de apostolisch vicaris, in 1955 werd die taak verzelfstandigd. Jozef Hacking viel de eer te beurt als eerste voor die post benoemd te worden. Tezelfdertijd werd hij vicaris-generaal van het bisdom. Daarnaast was Hacking lange tijd hulpaalmoezenier in de Amerikaanse legerplaats bij het vliegveld Keflavik. In die hoedanigheid reisde hij verschillende keren naar de Verenigde Staten, waar hij tegelijkertijd geld inzamelde voor de missie. Men was toen nog steeds bezig, o.a. met hulp van de Nederlandse provincie, de kathedraal af te betalen die in 1929 gebouwd was.
Twee jaar na zijn aanstelling rapporteert Hacking over het reilen en zeilen van de missie. De missiestaf bestaat dan uit zeven paters en twee broeders, mgr. Gunnarsson niet meegerekend. De gemiddelde leeftijd van de paters is wat lager dan voorheen en er is sprake van wat meer activiteit en openheid naar buiten. Er is een nieuwe post gesticht in Akureyri, de hoofdstad van het noorden; deze post ontwikkelt zich overigens maar moeizaam. Daar werkt Hákon, de enige seculiere priester van het bisdom. Het rapport van Hacking wekt de indruk dat de eerder vermelde visitatie resultaat heeft gehad en dat de missie begint op te leven. In werkelijkheid was de toekomst van de katholieke kerk in IJsland nog steeds weinig hoopgevend. Slechts een enkele lutheraan sloot zich aan bij de Catholica, en van de katholieken was een groot deel weinig betrokken bij het kerkelijke leven. De missionarissen klaagden over gebrek aan discipline en het ontbreken van apostolische initiatieven in eigen kring, maar voorstellen om daar iets aan te doen vonden ook onder hen weinig weerklank. Zo  bleef  alles bij het oude. Wat de apostolische activiteit vooral in de weg stond, was de idee dat de IJslanders niet ‘gemissioneerd’ moesten worden. Dat zou zijn doel voorbijschieten, omdat de mensen niet dachten dat ze een verkeerde weg bewandelen. Men zou zich daarentegen moeten toeleggen op ‘het apostolaat van de aanwezigheid’ en afwachten tot eenlingen uit eigener beweging naar de wereldkerk terugkeerden om daar actief aan het kerkelijk leven deel te nemen. Dat was niet wat de montfortaanse visitatoren voor ogen stond. Maar de visitator namens de Propaganda Fide, mgr. A. Hanssen, die in 1956 de missie bezocht, kon daar wel begrip voor opbrengen. Hij had met name veel waardering voor het uithoudingsvermogen en de vasthoudende trouw van de missionarissen.
    In 1956, het jaar van zijn wijding, komt Guus George naar IJsland. Tegen heug en meug, maar dat zou na een paar jaar veranderen! Zijn voornaamste opdracht wordt de zorg voor de jeugd en meer in het bijzonder de katholieke school op Landakot. De school heeft indirect veel vruchten opgeleverd, want het was voor heel wat ouders het enige contact dat ze met de katholieke kerk hadden. Op hoger niveau heeft het jeugdwerk bijgedragen tot een goede verstandhouding tussen de katholieke kerk en de staatskerk.

Een zware slag trof de missie toen Jozef Hacking op 18 augustus 1964 overleed aan leukemie, pas vierenveertig jaar oud. Door zijn innemende goedheid, zijn naastenliefde en bewonderenswaardige aanpassingsvermogen stond hij in hoog aanzien bij ieder die hem ontmoette. Zijn dood werd een onherstelbaar verlies voor de missie genoemd. Het was in ieder geval een ramp voor mgr. Gunnarsson, die niet zonder hem kon. Hij werd dan ook ziek, verbleef vaak voor herstel in de Verenigde Staten en had nauwelijks nog contact met priesters en leken op IJsland. Hub Habets, jaargenoot van Hacking, werd waarnemend missieoverste tot de komst van pater Piet Schoen in 1965. Na zijn wijding in 1957 was Piet, afkomstig uit Haarlem, twee jaar docent in Oirschot geweest, gevolgd door drie jaar studie in Rome en Leuven en een tweede docentschap in Oirschot. Hij bleef missieoverste tot 1972, waarna hij een benoeming voor Brazilië kreeg. Ten tijde van zijn komst waren er zes montfortanen op Landakot. Spoedig daarna overleed broeder Henricus (Matthieu Jenniskens) op de leeftijd van 63 jaar. Hij had negentien jaar in IJsland gewerkt en was geliefd bij allen die met hem in aanraking kwamen, vooral bij de karmelietessen van Hafnarfjördur, voor wie hij steeds een steun en toeverlaat was. Op 2 januari 1966 overleed ook broeder Ferdinand (Antoon Reijners) op de leeftijd van 88 jaar. Na werkzaam te zijn geweest in Frankrijk en Denemarken was hij in 1910 naar IJsland gekomen, dat zijn tweede vaderland werd. Zijn begrafenis in Reykjavik werd opmerkelijk druk bezocht. Hij was de laatste broeder in de missie van IJsland.
In 1966 vraagt en krijgt mgr. Gunnarsson om gezondheidsredenen ontslag, waarna hij voorgoed vertrekt naar de Verenigde Staten en pastoor wordt van de St. Jozef parochie in Emmettt, South Dakota. Mgr. Theunissen, die kort daarvoor het aartsbisdom Blantyre had overgedragen aan een Malawische opvolger, werd einde 1967 apostolisch administrator. Na zijn vertrek werd hij in die hoedanigheid opgevolgd door de Duitse pater Alfons Mertens, die tevens als pro-vicaris fungeerde. De benoeming van een nieuwe bisschop liet enige tijd op zich wachten, maar op 24 oktober 1968 liet kardinaal Agagianian aan algemeen overste Heiligers weten dat Harrie Frehen benoemd was. Hij werd op 8 december 1968 te Waubach (Ned. Limburg) tot bisschop gewijd door mgr. Theunissen met assistentie van o.a. bisschop Moors van Roermond en de toen rustende mgr. Gunnarsson.
Mgr. Frehen was een heel andere persoonlijkheid dan zijn beide voorgangers. Zijn opvolger beschrijft hem als volgt: ‘Hij was in de eerste plaats een wetenschapper die voorliggende problemen rationeel probeerde te benaderen. Hij analyseerde een situatie en ontwierp vervolgens plannen om daarop in te spelen. Dat deed hij allemaal in zijn eentje. Wonen en werken vonden plaats buiten het priesterhuis op Landakot. Hij hield weliswaar contact met de paters, maar niet meer dan strikt noodzakelijk was, dit om elke schijn van onrechtvaardigheid te vermijden. Guus George benoemde hij tot zijn vicaris-generaal met handhaving van diens verantwoordelijkheid voor het onderwijs. Met betrekking tot theologie en zielzorg baseerde de bisschop zich consequent op de uitspraken en beslissingen van  Vaticanum II. Hij zorgde ervoor dat de liturgie geheel volgens de nieuwe regels gevierd werd. Toch bleef er onder de priesters een zeker verzet voelbaar. Dat leidde er toe dat enkele  jongere paters al spoedig het land verlieten, terwijl anderen, met name oudere confraters, zich min of meer terugtrokken om hun weg buiten de zielzorg te zoeken’. In de loop der jaren was mgr. Frehen wel in staat om priesters en kandidaat-priesters aan te trekken, binnen IJsland en daarbuiten, die meer in zijn geest werkten.

Mgr. Frehen woonde en werkte buiten het priesterhuis op Landakot. Hij hield wel contact met zijn confraters, maar niet meer dan strikt noodzakelijk was, dit om alle schijn van partijdigheid te vermijden. Ook hield hij een zekere afstand tegenover de burgerlijke overheid. Hij had eveneens een afstandelijke verhouding tot de zusters, al bezocht hij regelmatig hun communiteiten. Zijn moeilijke benaderbaarheid leidde er toe dat enkele jonge paters het land verlieten, terwijl oudere paters zich min of meer terugtrokken om zelf hun weg in de zielzorg te zoeken. Provinciaal Somers brengt van 28 november tot 5 december 1975 een werkbezoek aan IJsland in verband met spanningen tussen enkele missionarissen en mgr. Frehen. Tijdens dit bezoek werd o.a. geregeld dat George Meertens vanuit Denemarken enige tijd zou komen helpen, mogelijk als secretaris van Mgr. Frehen.
    Zondag 29 augustus 1976 dragen mgr. Frehen en George Meertens een plechtige mis op in de Dom van Holar, waar de laatste katholieke bisschop van IJsland in 1550 onthoofd werd. Het is de eerste katholieke mis op die plaats in 426 jaar. Datzelfde jaar gaan de H. Stoel en de republiek IJsland diplomatieke relaties aan. Volgens de gegevens van het Vaticaan heeft IJsland op dat moment 213.070 inwoners, 1309 katholieken, 7 priesters (2 seculieren en 5 religieuzen) en 53 zusters. Onder de katholieken zijn veel buitenlanders. De kerk is in alle opzichten een diasporakerk. Bijna alle huwelijken zijn gemengd, wat de buitenkerkelijkheid in de hand werkt.
    Op 23 juli 1978 wijdt mgr. Frehen de IJslander August Eyjolfsson tot diaken. Deze gaat verder studeren in Osnabrück. Inmiddels bereidt zich in Freiburg een andere IJslander op het priesterschap voor. Ook hebben zich een Fransman, een Brit en een Ier gemeld. Toen Frehen op 18 oktober 1978 de tiende verjaardag van zijn bisschopsbenoeming herdacht, werd hij geprezen om het herstel van de kathedraal, het aantrekken van een nieuwe groep zusters en van een zestal priesterkandidaten. In hetzelfde jaar 1978 komt pater John Habets (65) van het Portugese vicariaat naar IJsland; hij wordt benoemd voor het afgelegen Stykkishólmur waar de IJslandse priester Hákon Loftsson overleden was. Hij zou er zes weken blijven, maar die werden uitgerekt tot een jaar, en uiteindelijk werden het zestien jaren.

In  1981, bij de viering van duizend jaar christendom op IJsland, was er op 16 juli een bijzondere ontmoeting in Skalholt, de voormalige bisschopsstad. De Lutherse bisschop Eigurbjörn Einarsson had als vriendschappelijk gebaar naar de katholieke landgenoten mgr. Frehen uitgenodigd om op die door de traditie geheiligde plaats de eucharistie te vieren. Bij deze plechtigheid waren de bisschop en een wijbisschop met hun gezinnen ook aanwezig. Omgekeerd preekte in de namiddag de katholieke bisschop tijdens de evangelische dienst.
Op 11 november 1982 overleed Frans Ubaghs te Vroenhof, waar hij eind oktober 1981 naar toe was gegaan. Hij was toen sinds 1929 in IJsland geweest. De dertien jaar in Stykkishólmur zijn ongetwijfeld de zwaarste van zijn leven geweest. In 1982 ging de zeventigjarige Lambert Terstroet vanuit Woodridge in Australië naar Gardabae bij Reykjavik, om op verzoek van mgr. Frehen huisgeestelijke te worden bij elf Duitstalige hoogbejaarde Zusters van St. Jozef, die vroeger het ziekenhuis van Reykjavik verzorgden. Hij zou daarnaast retraites en bezinningsdagen geven voor uiteenlopende groeperingen. Zijn diepe godsvrucht, zijn grote belezenheid en zijn enthousiasme dwongen veel respect af, ook bij niet-katholieken.  In 1983 gaat Hub Habets terug naar Nederland na twaalf jaar pastoorschap en rectorschap bij de karmelietessen in Hafnarfjördur. Oorspronkelijk waren dat Nederlandse zusters, maar door toenemende ouderdom en gebrek aan roepingen in het moederland, droegen zij met medewerking van de bisschop hun klooster over aan Poolse medezusters. Het rectoraat wordt na het vertrek van pater Habets waargenomen door de Brabantse pastoor Frans van Hoof. Ook komt in die tijd pater H. Oremus, een Nederlandse Lazarist op leeftijd. Hij is er in 2006 nog steeds.
Op 11 december 1984 overlijdt pater Gerard Boots in Vroenhof op de gezegende leeftijd van 95 jaar. Hij is de man die in 1950 het ordeteken van officier van de Académie Française kreeg uitgereikt voor de samenstelling van een IJslands woordenboek voor de Franse taal met bijbehorende spraakkunst.
Er zijn in 1984 nog drie montfortanen op IJsland: Guus George, Lambert Terstroet en John Habets. De laatste was in 1978 voor zes weken gekomen ter vervanging in Stykkishólmur; hij zou er zestien blijven. Verder zijn er twee IJslandse priesters, een jonge Franse priester en drie anderen, waaronder twee Nederlanders. Biskup Hinrik deed alles om buitenlandse priesters te werven en tegelijkertijd plaatselijke roepingen aan te moedigen. Hij realiseerde zich terdege dat men hem een taak had opgedragen waarvoor hij in het geheel niet opgeleid was. Niettemin gaf hij zich er zich met hart en ziel aan. Hij bouwde een nieuw bisschopshuis dicht bij de kathedraal en een huis voor de priesters. Hij voelde zich meer pastoor dan bisschop en wilde iedere katholiek in het land persoonlijk ontmoeten in diens woonplaats. De kerk was volgens hem nog steeds niet algemeen aanvaard. Daarvoor was geduld, intuïtie en begrip nodig. Dat waren, schreef de Echo Montfortain na zijn overlijden op 31 oktober 1986, precies de kwaliteiten die hij de wereld had laten zien en waardoor de IJslandse autoriteiten meer en meer belangstelling voor de katholieke kerk gingen tonen. Met zijn dood verloren de Scandinavische bisdommen een eersteklas leider en theoloog, en de congregatie een confrater van grote morele statuur en een specialist op het gebied van de geschriften van Montfort. In een herdenkingsartikel in Pro Nostris schreef provinciaal Hustin:

‘Zijn dood heeft indruk gemaakt. In die weken van smartelijk lijden zijn mensen naar elkaar toegegroeid en zijn er prachtige momenten geweest. Op een werkelijk voorbeeldige manier heeft hij zijn lijden gedragen. Twee dagen vóór zijn sterven kwam de lutherse bisschop bij hem. Ze vielen elkaar om de hals en hebben samen gebeden als twee broers. Nauwelijks was hij enkele uren dood of er kwam al een groot bloemstuk van de bisschop en zijn echtgenote. De dood kwam als een verlossing en bevrijding… Vrijdag 7 november was de plechtige begrafenis… Als symbool van zijn afwezigheid stond zijn staf tegen zijn troonzetel, die onbezet bleef. De lutherse bisschop was er met zijn vrouw, evenals een minister namens de regering. De presidente had zich laten verontschuldigen, omdat zij die dag een buitenlandse delegatie moest ontvangen. De preek werd gehouden door séra Yalti, de jonge pastoor van de kathedraal. Zijn openingsregel was het begin van een bekend IJslands gedicht: ‘De dood is een beek; het leven een sprietje gras dat door de beek wordt meegenomen’. Hij verhulde niet dat er vaak moeilijkheden waren over de beslissingen van de bisschop en de uitvoering daarvan, zoals dat wel vaker het geval is met mensen die een grote verantwoordelijkheid dragen. Overigens twijfelde niemand er aan dat bisschop Hinrik de taak die zijn ambt hem oplegde heeft trachten te vervullen uit plichtsbesef en vol trouw aan zijn Kerk. Zij verschilden vaak van mening en soms ging het er hard aan toe, maar nooit had de spreker aan de goede wil en de goede bedoeling van de bisschop getwijfeld’.

Mgr. Frehen werd opgevolgd door de Amerikaanse jezuïet Alfred Jolson, die afstamde van een IJslands geslacht. Hoeveel er veranderd was, bleek tijdens het pausbezoek aan IJsland op 3-4 juni 1989. Er heerste een waardige en waardevolle oecumenische geest. Niet alleen dat de Lutherse christenen de onkosten van de samenkomst in Thingvellir op zich genomen hadden, inclusief het vervoer en het honorarium van drie zangkoren, maar ook bleek dit uit het feit dat bisschop Pétur de lutherse gelovigen dringend had uitgenodigd om dit eerste bezoek van een paus uit Rome met een grote opkomst te honoreren. Na de zegen van de paus omarmden hij en de lutherse bisschop elkaar. Applaus was er niet bij.

Mgr. Jolson s.j., bisschop van Reykjavik, overleed plotseling op 21 maart 1994 op 65-jarige leeftijd in de Verenigde Staten waar hij een geneeskundige behandeling onderging. Guus George, die enkele maanden eerder uit handen van de IJslandse president de ‘Onderscheiding van de Valken’ had ontvangen vanwege zijn verdiensten op onderwijsgebied, nam opnieuw voor anderhalf jaar de leiding van het bisdom over als apostolisch administrator. Op 20 december 1994 overleed John Habets in Reykjavik, na een verblijf van meer dan zestien jaar in het afgelegen Stykkishólmur.

Op 11 oktober 1995 werd mgr. Gijsen, oud-bisschop van Roermond, de nieuwe administrator. Op 24 mei 1988 volgde zijn benoeming tot bisschop van Reykjavik. In de jaren daarna verdubbelde het aantal katholieken van 2500 tot 5200. Die toename was grotendeels te danken aan immigranten uit Polen, maar ook uit de Filippijnen, Zuid-Amerika en Zuidoost Europa. Ook werden steeds meer lutheranen katholiek en werden er geregeld kinderen van katholieke ouders gedoopt. Mgr. Gijsen wist zes buitenlandse priesters aan te trekken, terwijl drie anderen het land verlieten. Ook haalde hij enkele nieuwe zustercongregaties naar IJsland.

Bij de viering van het eeuwfeest van de montfortaanse missie in 2003 sprak mgr. Gijsen tijdens de eucharistieviering met waardering en dankbaarheid over het werk dat de montfortanen een eeuwlang voor de katholieke kerk in IJsland gedaan hadden. Tijdens een feestzitting keerde pater Voncken, als afgevaardigde van de Nederlandse provincie, dat thema door toe te lichten welke rol IJsland gespeeld had in de montfortaanse geschiedenis.