Lettergrootte   A A A

Indonesië

1936-1946

Al in het begin van de twintigste eeuw hadden Nederlandse Montfortanen de wens geuit een missie te beginnen in Indonesië. Ze waren daarover in gesprek met de kapucijnen in Pontianak (West-Borneo), de Jezuïeten in Jakarta en de Missionarissen van het Goddelijk Woord op Flores. Uit de correspondentie tussen 1924 en 1932 blijkt echter dat ze er nauwelijks welkom waren. De posities waren grotendeels ingenomen en werden zorgvuldig beschermd. Pas vanaf 1936 zijn er positieve geluiden te vernemen, en wel in de briefwisseling met de kapucijnen. Dit leidde er toe dat in 1939 een deel van het Apostolisch Vicariaat Pontianak, bestaande uit de districten Sintang en Kapuas Hulu, aan de montfortanen werd toevertrouwd. Michel Bertrand geeft in zijn Histoire des Missionaires Montfortains (1997, pp.125-126) een enigszins afwijkende lezing. Volgens zijn bronnen bood de toenmalige provinciaal van de capucijnen al in 1924 provinciaal overste Bemelmans aan een gedeelte van hun missie op Borneo over te nemen. Dat zou toen niet doorgegaan zijn vanwege gebrek aan personeel aan montfortaanse zijde. Twaalf jaar later, in oktober 1936, was er blijkbaar wel personeel. In dat jaar vroeg provinciaal Hupperts namelijk verlof aan generaal overste Ronsin om een missie te stichten in ‘Nederlandsch Oost-Indië’. Om voldoende missionarissen voor deze nieuwe stichting ter beschikking te hebben vroeg Hupperts ook verlof om de missie van Cabo Delgado in Mozambique te mogen verlaten: het werk werd daar immers door de Portugese regering in die dagen vrijwel onmogelijk gemaakt. Dat verlof werd echter geweigerd, omdat Pius XI veel verwachtte van het feit dat er niet-Portugese missionarissen aanwezig bleven in Mozambique.

In december 1938 werd het contract getekend tussen Mgr. van Valenberg, Apostolisch Vicaris van Pontianak, en de Nederlandse provincie. Monseigneur bood de Montfortanen naar eigen zeggen bepaald niet het beste deel van zijn gebied aan. Op 15 maart 1939 vertrokken de eerste drie confraters naar West-Borneo: pater Henri (‘Harry’) L’Ortye, overste van de nieuwe missie, pater Jan (‘Sjang’) Linssen en broeder Bruno (Harie Driessen). Schepter en Kruis maakte zich tot spreekbuis van de hele Nederlandse provincie, toen het gewaagde van ‘onze grote blijdschap, dat wij nu ook een missie in onze koloniën hebben’. Vooral dat ‘wij nu ook’ spreekt boekdelen. Het was namelijk een hartenwens geweest vanaf de oprichting van de Province du Nord in 1905, zo spoedig mogelijk mee te mogen tellen in het leger van dappere vaderlanders die zich in hun eigen koloniën zich aan het bekerings- en beschavingswerk mochten wijden. Dat zou zeker helpen om binnen Nederland wat meer openlijke erkenning te krijgen, maar het zou meer dan dertig jaar duren voordat die droom werkelijkheid werd.

Harry L’Ortye (1906) was vanaf zijn priesterwijding in 1932 leraar Grieks geweest aan de apostolische school in Rotselaar. Zijn benoeming voor Borneo kwam daar aan als een donderslag bij heldere hemel. Het schooljaar 1938-39 was al een paar weken bezig en men moest koortsachtig op zoek naar een vervanger. Jan Linssen (38), gediplomeerd onderwijzer, gewijd in 1936 en sindsdien leraar in Schimmert, kreeg zijn benoeming al even onverwacht op 5 november 1938. Hij zou in Borneo bekendheid verwerven als dokter, monteur en bouwmeester, maar vooral als priester en behartiger van de belangen van de Dajaks. Tot slot broeder Bruno, smid en timmerman van de missie. Geboren in juni 1917, begon hij zijn noviciaat in 1936 en legde zijn eerste geloften in oktober 1937. Een jaar later volgde zijn benoeming voor Borneo. Blijkbaar bestond er in die tijd nog niet de regeling dat een broeder eerst eeuwige geloften moest hebben. Het onverwachte van deze benoemingen hield verband met de weigering van Rome om de missie in Mozambique op te heffen en zo personeel vrij te maken voor Borneo.

Op 16 maart 1939 vertrekken de drie pioniers naar Marseille om zich daar in te schepen voor Singapore, waar ze op 4 april aankomen. Vandaar gaat het twee dagen later naar Pontianak. Daar worden ze op 7 april hartelijk ontvangen door de kapucijnen. Men nam de tijd om besprekingen te voeren en regelingen te treffen met de Apostolisch Vicaris; verder werden er enige dagen besteed om missiestaties van de kapucijnen langs de kust te bezoeken. Op 17 april vertrekt men vanuit Pontianak per rivierboot naar Sintang, een van de toekomstige missiestaties. Men blijft er enkele dagen om van daaruit een aantal plaatsen te bezoeken, waaronder Sedjiram. Op 26 april gaan ze naar Bika-Nazareth, het einde van hun reis. Bika is de eerste statie die de montfortanen gaan overnemen van de kapucijnen.

Op 3 juni arriveren de Zusters van Asten in Putussibau, een regeringscentrum vier uur stroomopwaarts van Bika. Zij komen om de zorg op zich te nemen van het plaatselijk ziekenhuis. Een week later neemt ook pater Linssen daar zijn intrek en kan het missiewerk beginnen. Op 1 januari 1940 vertrekken de kapucijnen uit Bika Nazaret. Pater L’Ortye en broeder Bruno blijven achter. De statie is nu helemaal in handen van de montfortanen. Inmiddels zijn er drie jonge priesters benoemd voor Borneo: Jef Wintraecken, Lambert van Kessel en Piet van Eunen. De twee eersten komen op 7 maart 1940 op hun standplaats Bika aan, maar van Eunen bleef in Nederland om Chinees te leren. Hij zal vanwege de oorlog tot 1946 moeten wachten alvorens naar zijn toekomstige standplaats Sintang te vertrekken. Begin 1940 zijn dus nog maar twee van de vijf beoogde posten bezet. De overname van de andere posten moet uitgesteld worden tot na de oorlog. De nieuwe missionarissen kunnen niet vertrekken en er komt ook nauwelijks nieuws door uit het vaderland.

Begin 1942 is ook Nederlands Oost-Indië in oorlog. De Japanners bezetten geleidelijk heel de archipel. Op 2 maart wordt de Nederlandse gezaghebber in Putussibau in zijn huis vermoord. Men hoort berichten dat de Nederlandse missionarissen aan de kust als door het Japanse leger zijn geïnterneerd; later hoort men hetzelfde over de missionarissen verder het binnenland in en zelfs in Sintang. Maar men weet niets met zekerheid. In juni arriveren de Jappen in de Boven-Kapuas en worden de missionarissen van Bika en Putus Sibau op een boot gezet om naar Pontianak overgebracht te worden. Daar arriveren ze op 19 juni en worden geïnterneerd in het huis van de Broeders van Huybergen, samen met andere missionarissen en Nederlandse staatsburgers. Op 14 juli 1942 vertrekken de geïnterneerden uit Pontianak over zee naar een interneringskamp te Kuching in Serawak, Engels Noord-Borneo. Gelukkig wist men op dat ogenblik niet, dat dit een verblijf van drie jaren zou worden. Het was een groot kamp met barakken en aparte afdelingen voor paters en broeders, voor zusters, voor Nederlandse burgers, Nederlandse militairen en Engelse militairen.

Tegen het einde van hun verblijf daar deden verhalen de ronde over zogenaamde hongertochten: uitgehongerde geïnterneerden moesten met meenemen van al hun hebben en houden – ook de zieken – te voet naar een bepaalde plaats trekken. Een groot aantal van hen bezweek onderweg. Ook de geïnterneerden van Kuching stonden op het programma, maar zover is het niet gekomen. Op 16 juni 1945 doen de montfortanen in dat kamp een belofte aan Sint Jozef om behouden uit het kamp te komen. Onder de missionarissen zijn er tijdens de interneringsperiode in tegenstelling tot de andere afdelingen maar een paar sterfgevallen geweest. Reden daarvan was dat er bij de missionarissen steeds gezorgd werd voor een eerlijke verdeling van het eten, waarbij de zieken op de eerste plaats kwamen. Hun bevrijding volgt op 23 september van dat jaar. Ze worden met een Amerikaans vrachtschip overgebracht naar het eiland Labuan voor een tussentijds verblijf. Op 1 december worden ze vandaar met de mijnenlegger ‘Willem van der Zaan’ overgebracht naar Pontianak, waar ze drie dagen later aankomen.

Op 14 februari 1946 krijgen ze verlof om weer naar het binnenland te vertrekken. Een week later vertrekt een Chinese boot met 23 missionarissen aan boord; de zusters konden nog niet mee. Op 1 maart, bij aankomst in Sintang, vinden ze de pastorie vrijwel leeggehaald. Aangezien men binnen afzienbare tijd versterking uit Nederland kan verwachten, verspreiden de vijf Montfortanen zich over het gebied met de bedoeling zo spoedig mogelijk alle hun toegewezen staties over te nemen van de kapucijnen. Linssen kan met een regeringsboot mee om Putussibau te bezetten. Wintraecken, van Kessel en broeder Bruno vertrekken met een andere boot naar Bika. Tevens gaan vier zusters mee voor Putus Sibau. Pater van Kessel vertrekt na een paar dagen naar Benua Martinus om na verloop van tijd die statie over te nemen. Pater L’Ortye blijft als enige over in Sintang, dat als hoofdstatie gaat functioneren. Hij gaat naar kampong Ampoh in het Sintangse, waar men vóór de internering goederen van de missie in veiligheid had gebracht; ze blijken inderdaad nog bewaard gebleven.

De gebeurtenissen volgen elkaar nu snel op. In juli 1946 arriveren weer drie paters montfortanen in Sintang. Twee zullen er nog volgen. Eén is in Pontianak achtergebleven om de bagage te regelen, terwijl de vijfde nog in Batavia (Jakarta) ligt met wondroos. Voor en na betrekken ze allemaal hun posten. Ferry Hoogland gaat naar Sedjiram; Antoon Voncken en Adriaan Schellart gaan naar Bika en Laurens (‘Lor’) Collijn naar Benua Martinus. Als Piet van Eunen straks uit Batavia aankomt, zal hij gaan werken onder de Chinezen van Sintang. Op 22 juli vertrekt daar de laatste kapucijn, pater Justinus, zodat ook deze post volledig onder montfortaanse verantwoordelijkheid valt. Op 24 november 1946 arriveert er nog eens een groep van vijf missionarissen uit Nederland. Dat brengt het totaal van montfortaanse missionarissen op vijftien. Het zijn de paters Hub Reynders, Lambert (‘Lam’) van den Boorn en Adriaan (‘Janus’) van der Vleuten, en de broeders Alphons (Johan van Extel) en Stephanus (Jozef van den Berg). Zij allen kwamen terecht in een situatie van onvoorstelbare schaarste. De missie beschikte over geen enkele rivierboot, zelfs geen prauw. Geld om iets aan te schaffen was er niet, omdat in Nederland alle geld geblokkeerd was. De eerste jaren werd er wel een en ander gedistribueerd voor Nederlandse burgers, zoals rookmaterialen en bepaalde levensmiddelen, maar de helft daarvan werd meestal weer verkocht om aan geld te komen.

Als u de resultaten wilt zien van de Nederlandse missie in Indonesië verwijzen wij u naar www.smm-indonesia.webklik.nl