Lettergrootte   A A A

Malawi

Het begon allemaal in 1894  met de stichting van het scholastikaat in El Biar. Dit lag niet ver van het generalaat van de Witte Paters, waar in de zomer van 1900 mgr. Dupont, bisschop van het apostolisch vicariaat Nyasa, een tijdje rust nam na meer dan twintig jaar missiewerk. De Witte Paters hadden in de jaren 1889-1891 al een poging ondernomen om een missie te vestigen in Nyasaland, maar om politieke redenen was dat niet gelukt. Ze trokken daarop naar noordoostelijk Zambia. Mgr. Dupont zou graag weer aan het werk gaan in Nyasaland, waar de omstandigheden intussen gunstiger waren, maar hij had gebrek aan personeel.

Tijdens zijn verblijf in Algiers hoorde Dupont dat de montfortanen inmiddels drie scholastikaten bezaten met zestig studenten en uitzagen naar een missie onder de heidenen. Rector van het scholastikaat in El Biar was Pierre Bourget, met wie hij samen had gestudeerd op het grootseminarie van Angers. Het was dus niet moeilijk om contact te leggen met de montfortanen. Tijdens zijn bezoek aan El Biar liep het enthousiasme voor zijn zaak zo hoog op dat Bourget besloot om zelf met de bisschop naar Saint-Laurent te gaan. Ze kwamen daar aan op 17 augustus 1900. Pater generaal was op dat moment op visitatie in Canada, maar ze konden hun plannen uitvoerig doorspreken met leden van de generale raad. Op een spoedvergadering na de terugkeer van de generaal werd besloten, dat Maurille in Rome de nodige stappen zou ondernemen om het Shire gebied aan de montfortanen toegewezen te krijgen als een onafhankelijke missie, los van het Shire Vicariaat. De Witte Paters zouden die petitie onvoorwaardelijk steunen. De zaak werd in handen gelegd van de procureurs Jouet namens de montfortanen en Burtin namens de Witte Paters. Deze besloten mgr. Dupont uit te nodigen zelf naar Rome te komen om zijn zaak aan de Propaganda Fide voor te leggen. De betrokken oversten hadden daar geen bezwaar tegen, als het doel - een eigen missie - maar duidelijk in het contract werd vastgelegd.

Mgr. Dupont, ziek en zwak, liet echter op zich wachten en de twee algemeen oversten kozen toen voor een gewijzigd plan. De montfortanen zouden beginnen in Nyasaland onder de jurisdictie van mgr. Dupont om na een aantal jaren de Shiré missie volledig over te nemen. Er werd een contract getekend met de volgende inhoud: de montfortanen verplichten zich om voor het eind van het jaar 1901, op eigen kosten, missieposten in het Shire gebied van het Nyasa vicariaat op te richten. Van zijn kant belooft Dupont geen missionarissen van andere congregaties naar dit gebied te sturen; hij verleent de nodige volmachten en zal alle bedelbrieven mede ondertekenen. Als de tijd daarvoor gekomen is, zal hij alle mogelijke steun verlenen aan het oprichten van een zelfstandige montfortaanse missie. In de tussentijd houdt hij het recht op visitatie.

Vanwege de moeilijkheden met de Propaganda Fide konden er een tijdlang geen nieuwe confraters naar Nyasaland gaan. Bisschop Dupont, die de montfortanen voor zijn gebied had geëngageerd, voelde zich min of meer door hen bedrogen en was hen na dit alles liever kwijt dan rijk. Om hen te laten weten dat ze niet meer nodig waren, kocht hij in 1903 een stuk land in het Shiregebied en stuurde daar zijn eigen paters naar toe. Dat was het begin van de missiepost Nguludi, een bekende naam in de montfortaanse geschiedenis. Heel anders gedroeg Mgr. Livinhac, generaal overste van de Witte Paters, zich. Hij heeft de overeenkomst met het Gezelschap van Maria steeds als bindend beschouwd en als zodanig verdedigd. Uiteindelijk heeft Rome ingegrepen en een einde gemaakt aan het onzalige dispuut. Het Shire gebied werd toegekend aan de montfortanen en opgericht als apostolische prefectuur. De toekenning op 24 november 1903 moet als de stichtingsdatum beschouwd worden, ofschoon de oprichting van de prefectuur pas op 3 december plaatsvond. In een circulaire van 14 januari 1904 kon pater Lhoumeau ten langen laatste het verheugende nieuws bekend maken.

Vijf Franse montfortanen, die al benoemd waren voor Nyasaland, konden eindelijk vertrekken om Prézeau en Winnen uit hun isolement te verlossen. Pierre Bourget, hun derde man, was namelijk begin 1903 naar Europa vertrokken om deel te nemen aan het kapittel. Na aankomst van de nieuwe missionarissen kon de statie van Nguludi overgenomen worden van de Witte Paters: ze zou gaan dienen als zetel van de prefectuur. Prézeau zou daar als apostolische prefect verblijf houden met twee confraters. Winnen werd overste in Nzama, waar de communiteit vier mensen telde. In 1905 kreeg hij gezelschap van Jozef Brouwers, die daarvoor zeven jaar had gewerkt in Saint-Louis-du-Nord op Haïti. Hij zou vier jaar in de Shire blijven en er kennis maken met de vier nederzettingen die de prefectuur toen rijk was. Van Nzama trok hij in 1906 naar Nguludi, in 1907 naar Neno en in 1908 naar Utale. Na een tussenjaar in België, werkte hij nog een kwart eeuw in Denemarken tot aan zijn dood in 1935.

In 1907 keerde Winnen terug naar Nederland, waar hij overste van de apostolische school in Schimmert werd en een veelgevraagde spreker op missiedagen in binnen- en buitenland. In datzelfde jaar bezocht Pierre Bourget, sinds 1903 lid van de generale raad, de Shire missie voor een canonieke visitatie. Zijn bezoek kwam zeer gelegen, want mgr. Prézeau sukkelde met zijn gezondheid en men was na zes jaar aanwezigheid toe aan een grondige evaluatie en aan een plan voor de toekomst. De inspanningen van de missionarissen bleven niet onbeloond, want vanwege de groei van de missie werd in 1908 de apostolische prefectuur Shire verheven tot vicariaat. Prézeau, geconsacreerd op het eiland Zanzibar in oktober van dat jaar, werd de eerste montfortaanse bisschop in Nyasaland. Er werkten toen een twaalftal missionarissen, verspreid over vier missieposten. Helaas zou Prezeau een jaar later overlijden, op weg naar het generaal kapittel van 1909. Zijn opvolger was Louis Auneau, stichter van de missiepost Utale, die in 1910 bisschop werd gewijd in de kathedraal van Chilubula in het huidige Zambia door mgr. Dupont van de Witte Paters. Deze beschreef die wijdingsdag als ‘de mooiste dag van mijn leven’, omdat toen alle eerdere narigheid tussen hem en de montfortanen goed gemaakt werd. Bij zijn aantreden kon mgr. Auneau beschikken over twaalf paters, twee broeders en acht zusters, werkzaam op vier missieposten, met eenenvijftig schooltjes, 3187 scholieren en 1261 doopleerlingen.

De eerste zusters arriveerden op 3 december 1904. Nadat ze in Nguludi verwelkomd waren door mgr. Prezeau, reisden ze verder naar hun standplaats Nzama, waar al een huis voor hen was gebouwd. In augustus 1905 komt een tweede groep, die zich zal vestigen in Nguludi. Ze zien het als hun eerste opdracht te werken voor de verheffing van de vrouwen, die naar hun mening worden beschouwd en behandeld als slaven. Het belangrijkste middel om hun lot te verbeteren is de school, waarbij men niet moet denken aan een formele school maar aan informele groepjes, die naast godsdienstonderricht ook lezen en schrijven zouden leren. In de praktijk blijkt de ziekenzorg echter de meeste aantrekkingskracht te hebben. In Nzama openen ze al na een paar dagen een apotheek, die dagelijks dertig of meer patiënten trekt. Daarnaast richt men een primitief ziekenhuisje in met twaalf tot vijftien bedden. Ook mgr. Prézeau is van mening dat ziekenzorg in dat stadium belangrijker is dan onderwijs, want de ondervinding had ook hem geleerd dat de zuster-verpleegster op de missie beduidend meer contact heeft met de mensen dan de zuster-onderwijzeres.

De oorlog van 1914-1918 zou een grote invloed hebben op land en missie. Het land werd namelijk onderdeel van de Engelse legereenheid die het moest opnemen tegen het Duitse bewind in Tanganyika. Voor dat doel moesten enorme aantallen militairen en vooral dragers gerekruteerd worden. In die oorlogsjaren zijn ongeveer 190.000 mannen uit hun dorpen weggehaald om onder vaak mensonterende omstandigheden hun werk te doen. Hun roepnaam tenga-tenga zegt het al. Letterlijk betekent dat: ‘Pak op! Pak op!’. Dat bevel werd hun dag in dag uit toegesnauwd door ongeduldige en hardhandige opzichters. Duizenden hebben daarbij hun leven gelaten. Niemand dacht er na de oorlog aan de omgekomen tenga-tenga te herdenken met een monument. Het is altijd een zwarte bladzijde gebleven in de geschiedenis van Nyasaland. Bij het uitbreken van de oorlog zijn er twintig paters, dertien zusters en twee broeders, verdeeld over zes missiestaties: Nguludi, Nzama, Neno, Utale, Nankunda, en Blantyre. De dienstplichtige Franse missionarissen moesten zich bij het begin van de oorlog melden bij hun onderdelen, wat meestal onmogelijk was. In plaats daarvan moesten zij dienst doen in de Oost-Afrikaanse expeditie als fourageurs en verplegers. Zeventien missionarissen, montfortanen zowel als witte paters, hebben daaraan gevolg gegeven en op die manier meegeholpen het lijden van die ongelukkigen te verlichten. Naast degenen die dienstvervangend bezig waren bij de militairen en de tenga-tenga, vroeg de legerleiding ook om vrijwilligers voor de lazaretten achter het front. Twee leden van de montfortaanse familie hebben dit met hun leven betaald: de Franse zuster Jacques du Sauveur en pater Jan Habets. Beide rusten op de erebegraafplaats van Mangochi. Al deze door de missie verleende diensten werden zeer geapprecieerd door de legerleiding, maar ze hebben bovenal bijgedragen tot een aanzienlijke verbetering van de relaties tussen regering en missie.

Een van de felste critici van de gedwongen militaire en tenga-tenga dienst was John Chilembwe, hoofd van de Providence Industrial Mission, een baptistengemeente dicht bij de missie van Nguludi. Toen zijn protesten niets uithaalden, besloot hij met zijn kerkleden een opstand te organiseren die het Engelse bewind ten val moest brengen. In januari 1915 was een van de eerste doelwitten de missie van Nguludi die in vlammen opging. Mgr. Auneau kon zich met zijn missionarissen, zusters en weeskinderen op tijd in veiligheid brengen. Buiten medeweten van de bisschop was echter een van de missionarissen, Guillaume Swelsen, achtergebleven om, gewapend met een geweer en in het gezelschap van enkele catechisten, de missie te verdedigen tegen een eventuele aanval. Tijdens het lange wachten viel hij in slaap met het gevolg dat hij overvallen en voor dood achtergelaten werd, maar hij bleef in leven. Chilembwe en zijn volgelingen sloegen na een paar dagen op de vlucht, maar werden voor het merendeel opgepakt en geëxecuteerd. Tijdens de hoorzittingen over de opstand wees mgr. Auneau er met nadruk op dat protestanten meer geneigd waren tot zulk opstandig gedrag dan katholieken, omdat ze naar eigen inzicht de Schrift konden interpreteren om daar vervolgens ‘valse conclusies’ uit te trekken. Zo kwam Auneau als grote winnaar uit de oorlog: zijn missie telde eindelijk mee en gaf de protestanten voorlopig het nakijken. Bovendien kreeg hij een welkome schadevergoeding.

Maar helaas, Rome keurde dit contract niet goed om de eenvoudige reden dat de eerste helft als een voldongen feit klonk, zonder dat de vereiste procedure gevolgd was. Door schade en schande wijs geworden zou Maurille later verklaren: ‘Shire was onze eerste missie. Wat wist ik af van Romeinse procedures?’ Tien dagen na de ondertekening van het contract is er bestuursvergadering in Saint-Laurent. Pierre Bourget is daarbij aanwezig en ontvangt er zijn nieuwe benoeming: hij blijft overste van El Biar, maar zal twee jeugdige confraters naar de missie begeleiden en ter plaatse installeren. Een van hen, August Prézeau, pastoor van Odessa bij Kingston in Canada, is al op de hoogte van zijn uitverkiezing. De ander zal nog aangewezen worden. Het werd uiteindelijk Antoon Winnen, leraar te Schimmert en oud-leerling van Bourget. De benoeming van een niet-Frans lid van de expeditie heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Eind mei 1901 zal het vertrek vanuit Napels plaatsvinden. Het afscheid van Bourget uit El Biar heeft in het collectieve geheugen van de montfortanen, en zeker van de Nederlandse, een  blijvende plaats gekregen vanwege een bijzonder koorwerk. Frater Henri Clemens componeerde voor die gelegenheid een cantate naar Jesaja 52,7 die hem en zijn confraters uit het hart was gegrepen: ‘Quam pulchri!’. Koor en solisten wisselen elkaar af. Na de vraag: ‘Wie zal ik zenden?’, antwoordt een andere stem: ‘Hier ben ik, Heer, zend mij!’ Veel jongens zijn jaren later diep geraakt door die woorden en klanken. Hoe moet dat geweest zijn tijdens de première, toen ineens centraal Afrika openlag?

De drie missionarissen vertrokken naar Afrika via Rome en de Propaganda Fide, zonder dat er een onvertogen woord viel. Maar op 24 juni beval de Propaganda Fide de drie pioniers terug te roepen. Twee dagen later werd dit echter bijgesteld: ze mochten voorlopig in Shire blijven, maar de congregatie mocht geen versterking sturen voordat de irreguliere situatie gesaneerd was. De drie pioniers wisten van niets, toen ze op 29 juni Malawi bereikten via de Shirerivier. Toen hun raderboot even voorbij het plaatsje Nsanje hout moest innemen, maakten ze van die gelegenheid gebruik om een medaille van Onze Lieve Vrouw achter te laten in de holte van een baobab. Zo riepen ze Maria uit tot patrones en koningin van hun nieuwe missiegebied. Het was meer dan een vroom gebaar; het was evenzeer een uitdaging aan het protestantse bastion.

In Blantyre logeerden ze enkele weken in het gastenverblijf van de firma Mandala, die het Afrikaanse deel van hun reis had geregeld. Ze maakten hun papieren in orde, lieten zich voorlichten door handelaars en planters, waar onder enkele Nederlanders, en bezochten een aantal protestantse zendingsposten, in het bijzonder die van de Church of Scotland. Deze bestond toen al ruim twintig jaar, had een goed lopende drukkerij, een school, een ziekenhuis, en een bepaald indrukwekkende kerkgebouw. De pioniers waren echter niet onder de indruk. Naar hun mening ging het de zendelingen alleen om geld, kweekten ze een bovenlaag van rijken, verwaarloosden ze de armen en maakten ze zich nauwelijks druk om bekeringen. De planters, bij wie ze hun licht gingen opsteken, deden daar nog een schepje bovenop. Die schilderden de leerlingen van de zendingsscholen af als cheeky mission boys, brutale missiejongens. Behalve brutaal waren ze ook volslagen onbetrouwbaar. Die negatieve typering was onderdeel van de blanke borrelpraat uit die dagen, maar de drie pioniers namen ze voor waar aan, zoals onder meer blijkt uit hun dagboek. Het versterkte hen alleen maar in hun overtuiging dat er in Nyasaland voor de katholieke missie werk te verrichten viel. Dat betekende in de eerste plaats zich niet op de missiepost opsluiten, zoals de protestanten deden, maar naar de mensen toe gaan in hun eigen leefomgeving.

In het begin van 1902 ontstaat de vraag naar een school. De paters hadden al regelmatig godsdienstles gegeven en waren niet van plan een reguliere school te beginnen waar men ook lezen, schrijven en rekenen kon leren. Uiteindelijk werden ze daartoe toch gedwongen door enkele aspiranten die dreigden anders naar de protestanten over te stappen. Dat men eerst zo afkerig was van een normale school, had mogelijk te maken met de verhalen die ze in Blantyre gehoord hadden over die cheeky mission boys. Door dit soort verhalen werden de paters bevestigd in hun idee dat een Afrikaan de weelde van een schoolopleiding niet kon dragen voordat hij tot een goede christen (lees: katholiek) was omgevormd. Pas dan was hij in staat de normale schoolvakken te doen zonder naast de schoenen te gaan lopen van verwaandheid. Als compromis wilden ze ook wel seculiere vakken onderwijzen, maar de godsdienstige vorming moest duidelijk op de eerste plaats komen. Elke schooldag begon dan ook met een vol uur catechismus.

Wij gaan naar de mensen toe! Dat was, zoals gezegd, de kreet waarmee de pioniers naar Nzama trokken. Ze wilden weg van elke elitaire vorm van missioneren om zich te richten op de armen en eenvoudigen in de dorpen. Na de aanvangsproblemen met Rome werd de missie in 1903 zelfstandig onder de naam apostolische prefectuur Shire. Onder mgr. Prézeau ontwikkelde zich een missiesysteem dat die voorkeur voor de armen en eenvoudigen tot uitdrukking brengt. In elk dorp, waar dit gevraagd of toegestaan werd, werd een herkenningspunt gevestigd in de vorm van een eenvoudig bedehuisje, waar de omwonenden konden samenkomen voor gemeenschappelijke gebed en sociale activiteiten. Aan het hoofd ervan stelde men een verantwoordelijke christen aan, die de titel mkulu wa mpingo, ‘kerkoudste’, kreeg. Deze vertegenwoordigde het dorp bij voorkomende gelegenheden en hield de missieleiding op de hoogte van het wel en wee van het groepje gelovigen. Op die manier was men in staat de bevolking regelmatig tot in de verste uithoeken te ontmoeten. Zo ontstonden wat later ‘kleine christelijke gemeenschappen’ (Small Christian Communities) is gaan heten.