Lettergrootte   A A A

Vancouver

In de zomer van 1892 bezocht mgr. Jan Nicolaus Lemmens, bisschop van Victoria in Vancouver, zijn geboortedorp Schimmert. Hij was een heerom van de broers Guillaume en Henri Lemmens, die een belanrgijke rol zouden gaan spelen in zijn bisdom. Ten tijde van het hoge bezoek studeerde Willem op Ste Marie en Harry stond op het punt hem daarheen te volgen. Het hele dorp was op de been om ‘hun bisschop’ plechtig in te halen en te huldigen.

Père Maurille, die het generalaat tijdelijk had overgebracht van Saint-Lautent naar Meerssen, was meermalen in de gelegenheid de hoge gast te ontmoeten. Ze spraken samen o.a. over het nijpend priestertekort in het bisdom Victoria. Maurille stelde op langere termijn twee paters en een broeder in het vooruitzicht. Kort daarna stierf Maurille, en in 1897 overleed ook mgr. Lemmens, waardoor de afspraak enige tijd werd vergeten. Mgr. Orth, de opvolger van Lemmens, ontdekte in de nagelaten papieren de montfortaanse connectie en gaf opdracht aan de Limburgse priester Nicolaye om contact op te nemen met de nieuwe generale overste, Lhoumeau. Deze wist van de gemaakte afspraak en maakte in de zomer van 1903 de namen van het drietal bekend. Een van hen was Guillaume Lemmens, die na zijn priesterwijding in Ottawa op 24 mei 1902 benoemd was voor de prille montfortaanse parochie Port Jefferson in het bidsom Brooklyn, maar die nu te horen kreeg dat hij ergens anders werd verwacht. Op 4 augustus 1903 zet hij voet aan wal op het eiland Vancouver (25 keer Nederland). Dit zou zijn tweede vaderland worden. Van zijn vierenzestig priesterjaren zou hij er achtendertig doorbrengen temidden van de Indiaanse bevolking. Guillaume   Lemmens schrijft:

‘Op die zonnige augustusmorgen kwamen we met ons drieën in Victoria aan. De voertaal op het eiland was Engels; de keuze van pater Generaal was daarom gevallen op twee oud-studenten van ons Canadees scholastikaat: James Marmouget en mijn persoontje, plus nog de goede broeder Benjamin. Ik was maar 24 jaar oud en één jaar priester tegen James met zijn 29 jaren en 5 jaar priester. Hij was dus de aangewezen man om overste te worden, en als ooit iemand de fraaie titel van “dienaar der dienaren Gods” in praktijk heeft gebracht, dan was het onze tobber James! Goed, met zijn drietjes meldden wij ons aan bij de bisschop, die ons na jarenlang wachten met open armen verwelkomde’.

Bij aankomst kregen de drie confraters direct twee hoofdstaties en een twintigtal ‘uitstaties’ toegewezen met naar schatting 2000 Indiaanse parochianen. Volgens aloude traditie werden alle kinderen katholiek gedoopt en verlangde iedereen een priester bij zijn sterfbed. Tussen die twee momenten in was er nauwelijks contact met de kerk. Dit hield o.a. verband met het feit dat het merendeel van de parochianen meer dan zes maanden per jaar elders verbleef om de kost te verdienen in visserij of fruitteelt.

Bij aankomst bleek de bisschop niet in staat zijn missionarissen te onderhouden. Wel kregen ze het vruchtgebruik van een boerderij met dien verstande dat ze zelf het boerenwerk moesten doen. Marmouget nam dat hoogst letterlijk op, met het gevolg dat het parochiewerk in de knel kwam. Er werd daarom een beroep gedaan op pater Armand Bouchet, die inmiddels aangesteld was als provinciaal van de montfortanen in Canada, de Verenigde Staten en Vancouver, zij het voorlopig nog met gedelegeerde bevoegdheden. Het benoemingsrecht bleef ook na 1905 aan het generalaat voorbehouden. Dankzij Bouchet kwam er hulp in de persoon van de Franse broeder Eusebius en de Hagenaar Jan Rutten, die toen kapelaan was in Port Jefferson.

Lemmens en Rutten werden belast met de pastorale zorg voor blanken en Indianen aan de Zuidkust, broeder Eusebius nam de boerderij over en broeder Benjamin deed huishoudelijk werk. Marmouget was nu vrij om zich geheel te geven aan de zaak waarnaar hij zo verlangd had: indiaan worden met de Indianen. Hij bezocht met zijn kleine boot de mensen op hun eilandjes in de verraderlijke zee-engte van Georgia. Na twee jaar kende hij de bewoners van ieder eiland; zij leerden hem kennen en waarderen als iemand die geheel onbaatzuchtig alles voor hen overhad, desnoods zijn leven. Alles was dus klaar om het langzame bekeringswerk te beginnen, toen hij in de lente van 1906 volkomen onverwacht werd benoemd voor Malawi, waar hij twee jaar later stierf van uitputting en bloedarmoede. Jan Rutten hield het ook al spoedig voor gezien, trad uit en werd seculier priester in de VS. Dat verlies werd vergoed door de komst van andere jonge priesters, waaronder Eduard Scheelen en Frans Boshouwers, die zich met hart en ziel zouden inzetten voor de Indiaanse bevolking.

Intussen bleef het financiële probleem bestaan. Daarom namen de paters werk in de Indiaanse dagscholen aan tegen een vergoeding van vijfentwintig dollar per maand. In 1904 namen ze op verzoek van de bisschop zelfs het Saint Louis College in de hoofdstad Victoria over. Daarbij kregen ze de hulp van pater Pierre Claessen, frater Martin Ronden en de Franse frater Stanislas Privé. Dankzij de tomeloze inzet van dit team werd het schooljaar 1904-1905 een succes. Ondertussen zetten de twee fraters hun theologiestudie voort onder leiding van Claessen. Ze werden op19 maart 1905 priester gewijd door mgr. Orth. Verder bouwden de twee jonge paters een parochiekerk in Victoria West. Vol goede moed begonnen ze aan het schooljaar 1905-1906, toen plotseling van hogerhand het bevel kwam Vancouver te verlaten. Père Lhoumeau was het er namelijk niet mee eens, dat de confraters onderwijs gaven in dorpsschooltjes en zelfs op een middelbare school. Lhoumeau was op visistatie in Canada, toen die beslissing viel. Het drong blijkbaar niet tot hem door, dat ze anders geen inkomsten hadden. Dankzij een hartverscheurend smeekschrift van de verontwaardigde Indianen heeft de generaal de beslissing teruggedraaid. De Indianenmissie bleef behouden, maar de confraters moesten het college aan het bisdom teruggeven en zo spoedig mogelijk ook de nieuwe parochie. Naderhand hebben de Christian Brothers die prachtige school aangenomen en verder ontwikkeld.