Lettergrootte   A A A

Ware godsvrucht

DE BIJZONDERE PLAATS VAN MARIA IN GODS HEILSPLAN

EN IN HET LEVEN VAN DE KERK

Maria is onbekend

  1. Door middel van de allerheiligste Maagd Maria is Jezus Christus in de wereld gekomen en door middel van haar ook moet Hij in de wereld heersen.
  2. Maria is zeer verborgen gebleven tijdens haar leven. Daarom wordt zij door de heilige Geest en de Kerk “verborgen en onbekende Moeder” genoemd. Haar nederigheid was zo diep, dat niets op aarde haar zo sterk en voortdurend aantrok als zich voor zichzelf en voor ieder schepsel verborgen te houden, zodat God alleen haar kende.
  3. God heeft gehoor willen geven aan de verzoeken die zij tot Hem richtte om haar verborgen, arm en nederig te laten zijn. Hij heeft er dan ook welbehagen in gevonden om haar voor bijna elk menselijk schepsel verborgen te houden in haar ontvangenis en geboorte, haar leven en haar mysteries, haar verrijzenis en tenhemelopneming. Zelfs haar eigen ouders beseften niet wie zij was en de engelen vroegen zich dikwijls onder elkaar af: “Wie is zij toch?” (V/Hl 3,6). De Allerhoogste hield haar immers voor hen verborgen. En als Hij hun al iets van haar ontsluierde, hield Hij er hun oneindig meer van verborgen.
  4. God de Vader heeft ermee ingestemd, dat zij tijdens haar leven geen wonder deed; althans geen opvallend wonder, ofschoon Hij haar de macht daartoe gegeven had. Zo ook hechtte God de Zoon er Zijn instemming aan dat zij uiterst weinig sprak; en toch had Hij haar Zijn wijsheid meegedeeld. God de heilige Geest heeft ermee ingestemd dat Zijn apostelen en evangelisten maar heel weinig gewag van haar maakten, niet meer namelijk dan nodig was om Jezus Christus te doen kennen; en dat terwijl zij Zijn trouwe Bruid was.
  5. Maria is het uitnemend meesterwerk van de Allerhoogste; Hij heeft zichzelf voorbehouden haar te kennen en te bezitten. Maria is de bewonderenswaardige Moeder van de Zoon. Hij had er welbehagen in haar nederig en verborgen te houden tijdens haar leven om zo haar nederigheid tot zijn recht te laten komen. Daarom bejegende Hij haar als een vreemde en noemde haar “vrouw” (Joh 2,4; 19,26). Maar in Zijn hart waardeerde en beminde Hij haar meer dan alle engelen en mensen samen. Maria is de “verzegelde bron” (Hl  4,12) en de trouwe Bruid van de heilige Geest; alleen Hij neemt er Zijn intrek. Maria is het heiligdom en het rustoord van de heilige Drie-ëenheid. Daarin is God luisterrijker en goddelijker aanwezig dan waar ook in het heelal, Zijn verblijf boven de cherubijnen en serafijnen niet uitgezonderd. Geen enkel schepsel, hoe zuiver ook, mag hier binnentreden tenzij door een bijzonder voorrecht.
  6. Ik getuig met de heiligen, dat de van God vervulde Maria het aards paradijs is van de nieuwe Adam. Daarin is Hij door de werking van de heilige Geest mens geworden om er onbegrijpelijke wonderwerken te verrichten. Zij is de grote en van God vervulde wereld, waar zich onuitsprekelijke schoonheden en schatten bevinden. Zij is de milddadigheid van de Allerhoogste. Daarin heeft Hij, als in Zijn eigen schoot, Zijn enige Zoon verborgen en met Hem al het verhevenste en kostbaarste wat Hij bezit.
    Wat heeft deze machtige God toch grote en verborgen dingen uitgewerkt in dit wonderlijke schepsel. Ondanks haar diepe nederigheid kon zij dan ook niet nalaten te zeggen: “Die machtig is, heeft aan mij wonderwerken verricht!” (Lc 1,49). De wereld kent die niet; daartoe is zij niet in staat, ze is het ook niet waard.
  7. De heiligen hebben over deze “heilige stad van God”  wonderlijke dingen gezegd. Volgens hun eigen getuigenis waren ze nooit zo welsprekend en voldaan als wanneer zij het daarover hadden. Zo verklaren zij met nadruk dat de hoogte van haar verdiensten, die zij heeft verheven tot op de troon van de godheid, niet begrepen kan worden; dat de breedte van haar liefde, die zij verder doet reiken dan de aarde, niet gemeten kan worden; dat de omvang van haar macht, die zij zelfs tot over God heeft, niet gevat kan worden; dat tenslotte de diepte van haar nederigheid, van al haar deugden en genaden, die een afgrond vormen, niet kan worden gepeild. Het is werkelijk een onbegrijpelijke hoogte, een onuitsprekelijke breedte, een mateloze omvang en een ondoordringbare afgrond!
  8. Alle dagen, van het ene einde van de aarde tot het andere, in het hoogste van de hemel en het diepste van de afgrond verkondigt alles, spreekt alles van de bewonderenswaardige Maria: de negen engelenkoren, alle mensen van welk geslacht, welke leeftijd, stand, religie ook, goeden en slechten. Ja zelfs de duivels voelen zich door de kracht van de waarheid genoodzaakt haar goedschiks of kwaadschiks zalig te prijzen. Alle engelen in de hemel roepen haar volgens de heilige Bonaventura zonder ophouden toe: “Heilig, heilig, heilig Maria, Moeder Gods en Maagd”; zij brengen haar dagelijks ontelbare keren de engelengroet: “Wees gegroet, Maria” enzovoort, terwijl zij zich voor haar neerwerpen en haar vragen of zij zo goed wil zijn hen met een bevel te vereren. Zelfs de heilige Michaël, zo verklaart de heilige Augustinus, legt, ofschoon hij aan het hoofd staat van heel het hemelse hof, de grootste ijver aan de dag om haar persoonlijk of door anderen huldeblijken te betonen. Steeds staat hij te wachten op de eervolle opdracht een van haar dienaren van dienst te zijn.
  9. Heel de aarde is vol van haar heerlijkheid, vooral de christenwereld: verschillende koninkrijken, provincies, bisdommen en steden hebben haar tot schutsvrouw en beschermster gekozen. Verschillende kathedralen zijn onder haar naam aan God gewijd. Geen kerk of er staat een altaar te harer ere. Geen streek of kanton, of er bevindt zich wel een of ander miraculeus beeld van haar, waar alle mogelijke kwalen genezen en allerlei gunsten verkregen worden. Zoveel broederschappen en vrome verenigingen te harer ere! Zoveel religieuze instituten onder haar naam en bescherming! Zoveel broeders en zusters uit alle broederschappen, zoveel mannelijke en vrouwelijke religieuzen uit alle religieuze instituten, die haar lof verkondigen en van haar barmhartige daden getuigen! Het kleine kind prijst haar al met het brabbelen van een weesgegroet; en er is nauwelijks een zondaar, al is hij nog zo verhard door het kwaad, die niet een sprankje vertrouwen in haar heeft. Geen duivel in de hel, of hij toont tenminste door zijn angst dat hij ontzag heeft voor haar.
  10. Na dit alles moeten wij inderdaad met de heiligen zeggen: “Over Maria nooit genoeg”. Men heeft Maria nog niet genoeg geloofd, verheven, geëerd, bemind en gediend. Zij verdient nog meer lofprijzingen, eerbewijzen, uitingen van liefde en dienstbaarheid.
  11. Na dit alles moeten wij met de heilige Geest zeggen: ”Heel de eer van de koningsdochter is in haar innerlijk” (V/Ps 44,13); alsof heel de uiterlijke glorie die hemel en aarde haar als om strijd betonen, niets was in vergelijking met de glorie die zij van de Schepper in haar innerlijk ontvangt. Aan nietige schepsels is dit onbekend, omdat het hun onmogelijk is door te dringen tot het hartsgeheim van de Koning.
  12. Na dit alles moeten wij met de Apostel uitroepen: “Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en geen mensenhart heeft begrepen” (1 Kor 2,9) wat de schoonheid, verhevenheid en uitmuntendheid van Maria uitmaakt, het grootste wonder in de orde van de genade, van de natuur en van de glorie. Wilt u de moeder doorgronden, zegt een heilige, doorgrondt dan de Zoon. Zij is immers een waardige Moeder van God.  “Laat elke tong hier sprakeloos blijven”.
  13. Mijn hart heeft mij alles ingegeven wat ik zojuist met een bijzondere vreugde heb neergeschreven. Mijn bedoeling was aan te tonen dat de van God vervulde Maria tot nu toe onbekend is geweest, en dat dit een van de redenen is dat ook Jezus Christus niet naar behoren wordt gekend. Indien dus eens, zoals zeker is, de kennis en het Rijk van Jezus Christus in de wereld zullen komen, dan zal dat een noodzakelijk gevolg zijn van de kennis en het Rijk van de allerheiligste Maagd Maria. Zij immers heeft Hem de eerste maal ter wereld gebracht; zij ook zal Hem de tweede maal doen stralen.